Een beetje minder subsidie, een beetje meer leenrecht, please

Eind 2008 vroeg de Nederlandse misdaadauteur Jac. Toes een werkbeurs aan bij het Nederlands Letterenfonds. De beurs werd hem geweigerd omdat het fonds vond dat zijn vorige werk “te weinig literaire kwaliteit had”. De adviseurs hadden zand in de ogen tijdens het lezen van Toes’ werk, want met Fotofinish schreef hij een boek van internationale klasse. Het boek won dankzij de literaire kwaliteit de Gouden Strop.

Toes liet het er niet bij en trok naar de rechtbank. Niet alleen was de argumentatie van het Letterenfonds bijzonder mager, daarnaast bleek dat de beoordelaars zélf tot de grootste subsidieconsumenten behoorden. Willekeur en onhelderheid heersten bij het toekennen van literaire subsidie, zo bleek tijdens het proces.

Het Letterenfonds voelde nattigheid en besliste in 2010 om twee genre-experts aan te duiden en genrespecifieke criteria te ontwikkelen om misdaadauteurs ook een eerlijke kans te bieden op een subsidie. Hoewel Jac. Toes uiteindelijk ongelijk kreeg van de rechter, is dit toch een belangrijke overwinning van de auteur. 

Net op het moment dat Jac. Toes het definitieve verdict kreeg van de Nederlandse Raad van State, maakte het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) bekend wie dit jaar van haar gulheid mag genieten. Heel trots laat het VFL weten dat zij niet zal besparen op werkbeurzen voor auteurs. 

Op advies van 5 experts geeft het VFL aan 42 proza-auteurs in totaal 412800 euro.  De gelukkigen, die allemaal netjes opgelijst staan op de site van het VFL, vormen een mooie doorsnee van het literaire landschap, in dat opzicht lijkt er in Vlaanderen een beter evenwicht dan in Nederland. Met Mieke de Loof heeft zelfs het thrillervak een vertegenwoordiger in de subsidiepot.

Maar het is een ingewikkeld en ondemocratisch systeem:
- Ten eerste moet je als auteur een dik dossier samenstellen. Daar moet je al zin in hebben, vooral omdat het dossier oogt als een verdediging voor een rechtbank. 
- Ten tweede moet je in dat dossier je toekomstige werk voorstellen. Geen eenvoudige klus, en zeker geen garantie op de literaire kwaliteit die het VFL zoekt.Veel auteurs gaan er graag prat op dat ze bij het begin van een boek niet weten waar het zal eindigen. Maak dan maar eens een dossier op. De beoordeling wordt daarom ook een stuk nattevingerwerk: subsidies worden uitgereikt wegens een vermoeden van toekomstige kwaliteit. Natuurlijk is er het eerdere werk van de auteur, maar biedt dat altijd een garantie voor de toekomst? Trouwens, alleen al het idee dat mijn ideeën voor toekomstige projecten worden besnuffeld door vijf wildvreemden, vind ik afschuwelijk.
- Daarmee komen we bij ‘ten derde’: de beoordeling gebeurt door een adviescommissie van vijf experts. Vijf mensen beslissen welke auteurs een subsidie ”waard” zijn.  Weinig democratisch.
- En tot slot is het een vorm van marktvervalsing.

De Vlaamse literaire markt is verzadigd, maar het subsidiesysteem houdt het literaire bestaan van bepaalde auteurs in leven, en het is maar de vraag of dat zo’n goede zaak is. Een auteur die wordt afgemaakt door de voltallige  literaire pers, wordt niet erg ontmoedigd als hij elk jaar 9600 euro subsidie krijgt, ongeveer het equivalent van een Vlaamse bestseller. De Vlaamse literaire wereld klaagt over ontlezing, maar eist wel dat de overheid die ontlezing deels subsidieert.     

Nochtans bestaat er een volledig eerlijke subsidiëring met een democratische adviescommissie: het leenrecht. In Nederland werkt het leenrecht als volgt: elke keer dat een boek wordt ontleend in een bibliotheek, krijgt de auteur een vergoeding. Hoe meer zijn boeken ontleend worden, hoe hoger de vergoeding voor de auteur. Dat geeft de auteur meteen een idee van de waardering bij bibliotheekbezoekers. Niet zijn toekomstige werk wordt beoordeeld door vijf experts, maar zijn huidige door duizenden experts, want je mag van een bibliotheekbezoeker wel verwachten dat hij weet wat lezen is. Democratisch en eerlijk: je krijgt een vergoeding volgens de waardering van je huidige werk door een representatieve groep in de markt. Gemakkelijk ook: als auteur geef je aan Stichting Lira (de Nederlandse SABAM) je boeken op en zij doen de rest. En ook onpopulaire of moeilijke auteurs krijgen een kans, want hun werk wordt ontleend dankzij de leeslijsten op school.

Alleen moet de vergoeding per ontlening dan wel fors omhoog. Het budget voor de huidige subsidies kan daarvoor gebruikt worden, maar het zal niet voldoende zijn. Een deel van de werkingskosten van het VFL komt ook vrij, want je hebt geen adviescommissie en de hele administratie daarrond meer nodig. Alleen goede scanners in de bibliotheken en een modern boekhoudprogramma.

En daar ontbreekt het in Vlaanderen zelfs nog aan. Hier bestaat het leenrecht uit een forfaitair bedrag per lid van een auteursvereniging. In de praktijk komt het neer op een bedroevende 50 euro per jaar, en het is tot nu toe al één keer uitbetaald in 2010. Terwijl er bij muziek en film moord en brand wordt geschreeuwd over piraterij, moet een Vlaamse auteur lijdzaam blijven toezien hoe zijn werk wordt ontleend zonder dat hij er iets aan verdient. Het zo goed als onbestaande leenrecht is in Vlaanderen niet meer dan een door de overheid gesteunde piraterij. Er is nog een lange weg te gaan…


Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 177 other followers