Mijn opvoeding als piraat

Opvoeding als piraat

Negen van de tien boeken op Nederlandse e-readers is ofwel gratis verkregen of illegaal gedownload. Dat blijkt uit een studie van marktonderzoeksbureau GfK. Gemiddeld staan er 117 boeken op een e-reader; slechts voor elf exemplaren is betaald. Na dat nieuws regende het reacties, enerzijds van schrijvers die het plakje kaas van hun droog brood gestolen zien, anderzijds van downloaders die de prijs van e-boeken veel te hoog vinden. Twee uitgeversgroepen, Lannoo en WPG, willen nu het illegale downloaden tegengaan met een streamingdienst voor boeken.

Bij het volgen van de hele discussie overviel me een dubbel gevoel. Ja, ik wil op een eerlijke manier betaald worden voor mijn werk. Aan de andere kant koop ook ik mijn boeken, dvd’s en muziek zo voordelig mogelijk. Ik grijp naar de pocket van 12 euro in plaats van de mooie hardcover van 22 euro. Voor een cd lijkt 10 euro me een goede prijs, al geef ik er nog liever 5 voor.

En ik ben niet de enige. In de weekendkrant van De Standaard geven zowel journalist Marc Reynebeau als schrijver Christophe Vekeman toe dat hun liefde voor tweedehandszaak De Slegte onder andere voortkwam uit de lage prijs voor de boeken. Waarom zijn we toch zo gierig als het over cultuurproducten gaat, terwijl we een veelvoud besteden aan – ik zeg maar iets – etentjes en reisjes?

Ik herinner me hoe ik met de kleuterklas op bezoek ging bij de bakker. Hij kneedde het deeg, schoof het brood in de oven en spoot torentjes slagroom op een taart. De bakkersvrouw toonde ons het verschil tussen bruin en wit en vertelde ons hoeveel een brood kostte. Op het einde van het bezoek mochten we allemaal een koek kopen, die we samen opaten in de klas.

Mijn eerste optelsommen leerde ik aan de hand van vraagstukken over mama die vis koopt op de markt of worst bij de slager. Toen ik mijn eerste woorden leerde lezen en stilaan zinnen kon ontcijferen, vertelde meester Dirk over boeken.

Boeken kwamen, zo zei hij, uit de bibliotheek. Dat was een groot gebouw in het midden van de stad, volgestouwd met leesvoer dat je zomaar kon consumeren. Het enige wat je moest doen, was een leeskaart aanvragen en de boeken op tijd terugbrengen. Vijf stuks per week mocht je mee naar huis zeulen, en als je er eentje niet lustte, bracht je het de volgende week gewoon terug. Gemakkelijk! Betalen hoorde er niet bij, behalve als je een boek te laat terugbracht. Dan betaalde je het equivalent van een kauwgom uit een snoepautomaat.

Ik was al een tiener toen ik voor het eerst een boek kocht. Tegen die tijd had ik geleerd dat voor films en muziek hetzelfde gold als voor boeken: normaal gezien betaalde je er niet voor. Films nam je op van de tv, muziek nam je op van de radio. Ja, je kocht wel eens een muziekalbum, maar pas als je écht fan of een verzamelaar was. De rest leende en kopieerde je wel van vrienden.

Dat boek voelde als een luxeaankoop. Want het lag waarschijnlijk ook in de bibliotheek. Misschien moest het binnenkort plaats maken en werd het voor een habbekrats verkocht in een opruimactie. Met dat geld kon ik vijf taartjes, twee kilo worst of een grote kabeljauw kopen. Nuttige zaken waarvan ik geleerd had dat je ervoor hoorde te betalen. Maar ik wilde het boek en met het schaamrood op de wangen voor zoveel spilzucht, rekende ik af.

De piratenopvoeding tegenover cultuurproducten zit er stevig ingebakken. Door het gratis lezen en luisteren vinden we dat boeken en muziek niet goedkoop genoeg kunnen zijn. Sommige politieke partijen willen bij het publiek scoren door aan het auteursrecht te morrelen. Dat downloaden is toch helemaal niet erg? Schrijvers proberen dan weer aan bewustmaking te doen, zoals met de actie ‘Ik lees legaal’, of de Facebookpagina van Charles den Tex.

Zal een Spotify voor boeken, zoals Lannoo en WPG het nu ontwikkelen, een verbetering zijn voor schrijvers? Ik heb mijn twijfels: uiteindelijk komt Spotify ook voort uit de piratenopvoeding van de uitvinders ervan. Hoe slim was het namelijk niet om een dienst te ontwikkelen waarbij je de muziek niet bezit, maar enkel beluistert? De Spotify-bedenkers glunderden bij hun geniale vondst om het auteursrecht voor muziek uit te hollen. Zal het met een Bookify echt anders gaan?

Uiteindelijk kunnen schrijvers de situatie hooguit lijdzaam ondergaan. Het is aan de uitgevers en de overheid om het verdienmodel eerlijker te maken. Een oplossing zit mogelijkerwijs in een beter uitgewerkt leenrecht, zeker in Vlaanderen (in Nederland valt het leenrecht al bij al mee). Op die manier kan een schrijver toch wat verdienen aan het analoog of digitaal uitlenen van zijn werk.

Of lost het probleem zich vanzelf op, zoals wordt gesteld in dit artikel? Steeds minder Belgen downloaden illegaal, omdat ze samen met de film, de muziek of het boek ook een hoop spyware en virussen binnen krijgen.
Nooit gedacht dat ik nog zou sympathiseren met hackers.

Over de grens

De relatie tussen Vlaanderen en Nederland, er valt veel over te zeggen. Een interland België-Nederland zorgt altijd voor hoogoplopende emoties (dat wordt uitkijken naar het WK volgend jaar) en we maken graag grappen over elkaar.

Naar aanleiding van de Nederlandse thriller-tiendaagse vroeg Crimezone me een column te schrijven voor de Vlaamse Vrijdag. Waarom lezen Vlamingen en Nederlanders elkaars boeken zo weinig? Voor veel schrijvers is de grens tussen beide landen onoverbrugbaar. We lezen massaal dezelfde buitenlandse boeken, maar bij Nederlandstalige literatuur kiezen we voor schrijvers van eigen bodem.

Hoe komt dat? In mijn column plaats ik drie mogelijke oorzaken op de beklaagdenbank.
Klik hier om de column te lezen.

 

De Quote

DonkereToren-quote

Over sommige schrijvers wil je geen kwaad woord horen. Vaak omdat je hun oeuvre leerde kennen in je tienerjaren. Tijdens een etentje ontstond ooit een discussie over A. F. Th. van der Heijden. Iemand verdedigde hem vurig, met als belangrijkste argument: ‘Toen ik 17 was, blies Vallende ouders mij omver.’ 

Er zijn enkele boeken die mij omver geblazen hebben in de jaren dat ik te oud werd voor jeugdboeken: Papillon (Henri Charrière), Alles moet weg (Tom Lanoye), Anus Mundi (Wieslaw Kielar), Suiker (Hugo Claus), De Tunnel (André Lacaze), Olivetti 82 (Eriek Verpale), Animal Farm (George Orwell) en De Rattenoorlog (David L. Robbins). Maar van één auteur was het zijn volledige oeuvre dat diepe indruk maakte. Zo erg zelfs dat er een spelletje ontstond tussen mij en mijn bibliotheekvrienden Lode en Kurt om als eerste een nieuw boek van hem te lenen.

‘Bwah’ en ‘Pffft’ zijn reacties die ik vaak krijg als ik het heb over Stephen King. En daarna: ‘Ik heb het eens geprobeerd, maar…’, gevolgd door schouderophalen. Die reactie kan ik best begrijpen, want het hangt er een beetje van af welk King-boek je eerste kennismaking is. Ik had het geluk eerst het soort King-boeken te lezen die me het meest bevallen, namelijk de romans met weinig of geen paranormale hocus-pocus.

Kings talent voor psychologische horror komt het beste naar voren in zijn boeken over gewone stervelingen die in afschuwelijke situaties terechtkomen, vaak zonder dat er sprake is van paranormaal gedoe, bijvoorbeeld:
Cujo: een hondsdolle Sint-Bernard terroriseert een vrouw en haar zoontje,
Misery: na een verkeersongeval wordt schrijver Paul Sheldon wakker in het huis van zijn grootste fan, die al snel zijn grootste nachtmerrie wordt,
Het meisje dat hield van Tom Gordon: een meisje verdwaalt in het bos en hoopt dat haar liefde voor baseballspeler Tom Gordon haar zal redden,
Een goed huwelijk (kortverhaal in de bundel Aardedonker zonder sterren): een vrouw ontdekt dat haar man een gezochte seriemoordenaar is en beslist om het te verzwijgen.
Van dit soort King-verhalen werden enkele van de meest beklijvende films gemaakt, zoals Misery, The Shawshank Redemption, Stand by Me of Dolores Claiborne.

Vervolgens zijn er de boeken met een paranormaal hoofdpersonage. De bekendste personages in die categorie zijn Carrie (een meisje dat de pesterijen van haar klasgenoten beu is), en de reus John Coffey uit The Green Mile (een terdoodveroordeelde met de kracht mensen te genezen). Maar de paranormale gave kan ook gewoon bij een machine liggen (zoals Christine, een Plymouth Fury met een slecht karakter) of bij een voorwerp (een simpele trap in 22-11-1963). ‘Het meest ongeloofwaardige geloofwaardig maken is het meesterschap van Stephen King’, schreef recensent Fred Braeckman deze week op de Knack-site. Helemaal terecht, al hebben sommige mensen mogelijk al moeite hierin mee te gaan.

Nog verder gaat King in zijn boeken waar een hele omgeving paranormaal is, waar diverse universa samenkomen of waar mensen worden bedreigd door buitenaards gespuis. Dat leverde meesterwerken op als The Shining en De Noodzaak, maar ook romans waarin het allemaal wat véél wordt (Desperation, Duma, Lisey’s verhaal).

En dan heb je nog King’s fantasy-epos De Donkere Toren. Daarover zegt King zelf: ‘Als ik ergens voorlees uit mijn werk vraag ik de aanwezigen soms om hun hand op te steken als ze een of meer van mijn romans hebben gelezen. Aangezien ze de moeite hebben genomen naar de lezing te komen – en soms moeten ze zelfs een babysitter inhuren of een keer extra tanken – is het natuurlijk geen verrassing dat de meesten hun hand opsteken. Dan vraag ik ze om hun hand omhoog te houden als ze een of meer van De Donkere Toren-verhalen hebben gelezen. Als ik dat zeg, gaat altijd minstens de helft van de handen omlaag’ (De scherpschutter, p. 18-19).

Tot vorige week behoorde ik tot de groep die zijn hand omlaag zou hebben laten zakken. Nu niet meer, want toen ik in mijn favoriete boekhandel struinde, viel mijn oog op een nieuwe editie van het laatste De Donkere Toren-deel. Ik las de achterflap.

Om daar een quote aan te treffen.
Van mezelf.
Een quote van mezelf! Op een boek van Stephen King! Het oeuvre waar ik vroeger om vocht met Kurt en Lode (al betekent vechten  in een bibliotheek hooguit elkaar in stilte porren).

Ik kocht het boek. Maar De Donkere Toren bestaat uit 7 (!) delen.
Het spreekt voor zich dat ik ze nu allemaal in huis haal.

Voor het volgende jaar heb ik leesvoer genoeg.
En geen kwaad woord erover.

De lanterfanter

Lanterfanter

Het is altijd hetzelfde: al hangt er een gigantische deadline boven mijn hoofd, toch slaag ik erin om een groot deel van mijn schrijftijd te verkwanselen. Door de krant te lezen, door naar mijn boekenkast te staren, door foto’s van dieren en vakantiebestemmingen te liken op facebook, door voor de vijfde keer naar een nieuwssite te surfen waarop niets nieuws te lezen valt of door nog maar eens te kijken of er al een nieuwe aardbei in de moestuin is gegroeid (tegen beter weten in, want nee, zo’n aardbei groeit niet in één uur).

Ik erger me blauw aan mijn eigen lanterfantende manier van schrijven, waardoor ik ’s nachts in paniek wakker schiet bij de gedachte aan alle gemiste woorden en hoofdstukken die ik weer voor me uit heb geschoven. Dan lig ik even in het donker te turen en beloof mezelf plechtig morgen éérst te schrijven en dan pas internet te openen enzovoorts.

Daarom klikte ik vandaag tijdens een lummelmoment op facebook een test aan, gelanceerd door het Vlaamse magazine Psychologies. ‘Hoe ga jij om met je tijd?’, vroeg de test. In de begeleidende tekst stond: Ben jij iemand die tijd verspilt of ga je er net zorgvuldig mee om? Het antwoord op die vraag kon ik al raden, maar ik wilde zekerheid. Ben ik een lanterfanter of niet? Na 12 vragen zou daar een definitief en objectief antwoord op volgen.

Ik vulde de vragen in en daar verscheen het antwoord. Dat was toch even slikken:
Waarom stel je alles zo lang uit?, vroeg de website. Ben je misschien bang om een opdracht af te ronden en beoordeeld te worden? Door er pas op het laatste moment aan te beginnen kan je jezelf wijsmaken dat – als je meer tijd had gehad – je veel beter gepresteerd zou hebben. Achter die strategie kan schrik voor kritiek of faalangst schuilgaan. Misschien schuif je de deadline voor je uit omdat je bang bent om teleur te stellen?

Eat that, Dehouck! Daar kwam niet alleen de bevestiging wat een uitstellerige lummel ik ben, ze gooiden er nog een hele reeks psychologische vraagstukken bovenop. Heb ik faalangst? Ben ik bang om teleur te stellen? Maak ik mezelf zaken wijs?

Gelukkig bracht de site ook een oplossing voor mijn probleem:
Loop niet in twee sloten tegelijk: kies één opdracht uit die je belangrijk vindt. Maak een planning op waarin je de verschillende stappen noteert en hoeveel tijd je voorziet voor elke stap. Hang de planning ergens op waar je ze geregeld kan bekijken zodat je je mentaal kan voorbereiden op de volgende fase. Feliciteer jezelf bij elke stap die je gezet hebt. Als je alle deadlines hebt gehaald, beloon jezelf dan met een dagje rust, een cd of iets anders wat je leuk vindt. Op die manier versterk je je vermogen om taken af te werken.

Een goed idee. Zo’n planning ga ik opmaken. Morgen is dat mijn eerste taak, vóór het schrijven, en vóór het internetten en facebooken en aardbeizoeken.

Maar nu eerst eens online rondneuzen welke cd’s ik wil bestellen als beloning.

(Wil je zelf de test doen? Je vindt hem hier.)

Thrillen in stijl

Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag was Pieter Aspe te gast bij Radio 1. Tijdens het interview zei hij: “Ik vind het stom als mensen proberen om misdaadverhalen literair te maken, want dat is meestal hetzelfde als vervelend. Niet dat literatuur vervelend is, maar een verhaal vertel je op een boeiende manier, en een boeiende manier is een vlotte manier. Dan moet je echt snel vooruitgaan en je concentreren op de personages, het verhaal, het ritme van het verhaal, en dat soort dingen. En dat is meestal niet literair.” Later voegde hij daaraan toe: “Het is ook mijn bedoeling niet dat te proberen, want ik denk dat het ten koste zou gaan van de kwaliteit van mijn verhaal.” De reactie van interviewer Kobe Ilsen was sprekend. Hij wist even niet meer wat gezegd. “Ah ja… dus… ja, ja, ja”, hakkelde hij vol ongeloof.

Tja, hoe moet Aspe anders zijn formuleschrijverij verdedigen? Onlangs werd het nog ‘uitgemergeld bandwerk’ genoemd op een blog. Toch is hij niet de enige die het zegt. Zoals Tomas Ross in een interview met Crimezone: “Wij schrijven ook geen literatuur. Tot die inkeer ben ik inmiddels gekomen. De plot is belangrijker dan de stijl. Uiteindelijk gaat het er gewoon om wie het heeft gedaan of wat er is gebeurd.”

Charles den Tex, toch vaak geroemd om zijn stijl, stelde het minder scherp toen hij zijn schrijfstijl met die van zijn vrouw vergeleek op de Spanningsblog: “Zij componeert haar tekst. En die zit dan ook zo goed in elkaar, zonder moeilijk gedoe of zo. Zij is daar heel knap in. Ik schrijf drie keer sneller dan Anneloes, ik ben iemand die tempo wil maken met dan maar iets minder mooie zinnen. Dat zal haar niet overkomen. Zij is stilistisch uitzonderlijk goed.”

Waarom zou stijl minder belangrijk zijn in een misdaadroman? Waarom zou je tevreden zijn met lelijkere zinnen als het ook met mooie kan? Oké, een thriller heeft geen nood aan allerlei tierlantijnen (moeilijk gedoe of zo), maar die zijn ook in de gewone literatuur niet zo vaak te vinden. De meeste goede literatuur is vlot en toegankelijk geschreven. Een literaire stijl is niet noodzakelijk complex en gezocht. “Zo beknopt als een bankcheque moet je schrijven”, zegt Tommy Wieringa in de laatste editie van dS Weekend.

Schrijfstijl hoeft niet op de voorgrond te staan, maar is wel belangrijk voor de uitstraling van een boek, het verhoogt de betrokkenheid, het draagt bij aan de emotionele beleving van de plot, het bepaalt voor een groot stuk het leesplezier.  Een slechte stijl is ook een stijl, en maakt je verhaal gewoon… lelijk.W e hebben in àlles stijl nodig. Ook in misdaadromans.

Op reis naar het groener gras

toerismeVorige week vroeg een journaliste me of Vlaamse boeken zich kunnen meten met de kwaliteit van buitenlandse romans. Ik gaf haar het standaardantwoord: ‘Vooral de allerbeste auteurs worden in het Nederlands vertaald; de hoge kwaliteit van die boeken is vanzelfsprekend niet haalbaar voor elke Vlaamse auteur.’

Ja maar, zei de journaliste, volgens een recensent is het in Vlaanderen simpelweg onmogelijk om zo’n goede boeken te schrijven als in Amerika bijvoorbeeld. Dat komt, zei ik, omdat we ons als lezer ook gedragen als toeristen.

Dromen we niet allemaal weg bij steden als New York en Los Angeles? Vinden we de Zuid-Afrikaanse townships niet veel spannender dan de Amsterdamse onderwereld? En de Noorse fjorden zijn toch honderd keer mooier dan de Ardennen of Zeeland?

Natuurlijk bieden die verre bestemmingen prachtige mogelijkheden om romans te schrijven, zowel cultureel, historisch als politiek. Natuurlijk kunnen we in Vlaanderen meer moeite doen om het hoogste niveau te bereiken. Maar bij het lezen van buitenlandse boeken speelt nog iets anders: de roze bril van de toerist, die zijn vakantiebestemming veel interessanter vindt dan zijn eigen, saaie woonplaats. De afgelopen maand vielen me daar drie voorbeelden van op.

Op 19 januari schreef Peter Vandermeersch, hoofdredacteur van het Nederlandse NRC Handelsblad, een column in De Standaard over allerlei problemen in “een land”. Een groot begrotingstekort, een falende regeringsvorming, een sukkelende spoorwegmaatschappij; een Vlaming herkende er meteen België in. Dat was ook Vandermeersch’ bedoeling, hij sloot af met: ‘Het land heet Nederland. Maar dat wist u al lang. Want alles wat hierboven staat kan zich alleen daar voordoen. Toch?’ Neen, een Vlaming kan zich moeilijk inbeelden dat zo’n domme dingen ook elders gebeuren.

Het idee dat alles in het buitenland beter werkt en interessanter is, komt vooral absurd over als je het hoort van een buitenlander zelf, van iemand die op groener gras kauwt dan jij. Pas een dag na de column van Peter Vandermeersch stelde de Nederlandse columnist Bas Heijne: ‘Deens drama is het gesprek van de dag, Scandinavische thrillers voeren de bestsellerlijsten aan, in Kopenhagen worden drommen rondgeleid langs uit series bekende plekken. Denemarken spreekt tot de verbeelding – zoals Nederland dat niet meer doet. Alles over Nederland wordt tegenwoordig internationaal gekraakt – onze politiek, onze musea, onze keuken. Als het niet gekraakt wordt, weet men niet dat het bestaat. Denemarken heeft The Killing. Wij hebben De verbouwing.’

Even frappant is een uitspraak van R.J. Ellory bij zijn bezoek aan Amsterdam op 7 februari. In een tv-interview vroeg thrillerrecensent John Vervoort hem waarom hij als Britse auteur zijn boeken situeert in Amerika. Ellory antwoordde op dezelfde manier als Heijne, zonder met de ogen te knipperen: ‘Amerika is een heel interessant land. Je hebt er de Kennedy’s, Las Vegas, de maffia, Hollywood. Je hebt Marilyn Monroe, Martin Luther King, de oorlog in Vietnam. Je hebt de Ku Klux Klan, de CIA en de FBI. In Engeland hebben we thee en Hobbits.’

Engeland is thee en Hobbits, Vlaanderen is bier en wielrennen, Nederland is klompen en kaas. Daarom gaan we op reis. Het opent onze wereld, het doet ons even vergeten hoe troosteloos het thuisland is. Toch ga je als toerist beter niet altijd naar dezelfde bestemming, want dan begin je ook de mindere kanten te zien. Het koude Noorden raken we al een beetje beu. We gaan nu liever naar – ik zeg maar wat – het warme Zuid-Afrika.

Om de buitenlandse schoonheid in een juist perspectief te plaatsen, is het goed regelmatig een citytrip te boeken in eigen land. Om onze eigen mooie plekjes te herontdekken. Dit jaar ga ik nog op reis naar Stephen King, Val McDermid en Hilary Mantel. Maar ik kijk evenzeer uit naar mijn bezoeken aan  Charles den Tex, Annelies Verbeke en Eveline Vanhaverbeke.

Hellekind scoort!

HellekindIn de eerste weken na publicatie heeft Hellekind al goed gescoord in de Nederlandse pers.

Hans Smit van het cultuurprogramma Opium noemt het ‘een prachtig boek‘.

Voor Anne Jongeling van nu.nl is het ‘een kunstig kat-en-muisspel‘ waarin ‘de waarheid ongrijpbaar is als een stuiterballetje in een spiegelpaleis’.

Een scherp, prachtig geschreven verhaal‘, schrijft Robert Gooijer in NRC Handelsblad.

Hellekind is een bijzonder boek‘, meldt Gerd Boeren op Ezzulia.nl. ‘Enerzijds een spannende pageturner, anderzijds een heel gevoelig, intens boek dat tot nadenken stemt. Het heeft een verrassend plot, een goede dosis humor, sprankelende dialogen en beklijvende personages.’

Ine Jacet sluit haar recensie op misdaadromans.nl af met: ‘Dehouck laat wederom zien dat hij zijn vak uitstekend beheerst, hij behoort zonder twijfel tot de top van schrijvers van Nederlandstalige misdaadromans.’

In Trouw gaat Edwin Kreulen nog een stap verder: ‘Zijn collega’s moeten vrezen dat Dehouck er voor de derde keer met de Gouden Strop vandoor gaat, want weinig Nederlandstalige thrillerauteurs kunnen tippen aan zijn schrijverschap.’

‘Het zal voor de jury nog een zware dobber worden om Dehouck zijn derde Strop niet toe te kennen’, beaamt Peter Kuijt op De Spanningsblog.

Voor Aly Rook van Omroep Flevoland lijkt dat geen goed idee. Ze noemt Hellekind een ‘uitermate slim gegeven’ met een ‘verbluffend einde’, maar vraagt zich ook af: ‘Hij zal toch niet weer de Gouden Strop winnen? Ik hoop het niet, want drie keer achter elkaar dezelfde winnaar,’ – ze vergeet even Gauke Andriesse –  ‘dat vind ik niet zo interessant. Het moet een ander worden!’

Assepoester en de thriller

In zijn laatste boek Restletsels schrijft Jeroen Brouwers over het etiket ‘literaire thriller’: “Zoals men een pannekoek zou aanprijzen als een creatie van banketbakkerskunst.” Het is de laatste – en met voorsprong de mooiste –  belediging in de ondertussen eindeloze rij aan het adres van de (literaire) thriller. Gelukkig besteden lezers geen aandacht aan zulke praat.

Wat zit er achter dit soort gefrustreerde opmerkingen? Om in de culinaire sfeer te blijven: Brouwers  beschouwt zichzelf als een sterrenchef en thrillerauteurs als frituristen. Goed hoor, maar van échte sterrenchefs lees ik nooit neerbuigende opmerkingen over brasserieën of frituren. Waarom zouden ze ook? Alleen de zelfverklaarde elite van de literatuur kan het blijkbaar niet laten. Zou de reden daarvoor kunnen liggen in… het sprookje van Assepoester?

Heel lang geleden, in een land hier ver vandaan, leefde het weesmeisje Thriller. Ze woonde bij haar stiefmoeder Letterenbeleid, die zelf drie dochters had: Literatuur, Theater en Poëzie. De dochters waren beeldschoon en zeer getalenteerd, maar ze hadden een moeilijk karakter en waren erg verwend. Hun moeder gaf hun jaarlijks een flinke smak geld, zo konden ze in alle rust aan hun persoonlijke ontwikkeling werken. Maar snel tevreden waren ze niet. Voor kleine bedragjes haalden zij hun neus op.

Op een dag vroeg het weesmeisje Thriller: ‘Allerliefste stiefmoeder, ik doe hard mijn best, kunt u mij ook een beetje steunen?’
Stiefmoeder Letterenbeleid lachte schamper.
‘Kijk eens naar jezelf, kind. Met je keukenmeidkleren aan! Met je haar in de war! Met je simpele woordenschat! Waarom zou ik jou iets geven? Hoe zou jij ooit zo hoogstaand kunnen worden als mijn dochters?’
De zusjes Literatuur, Theater en Poëzie giechelden; ondertussen vulden ze hun reiskoffers – o, wat hadden ze lang moeten zeuren om die Vuitton-tassen – voor een bezoek aan een wereldstad die hun oeuvre zou verrijken.
Stiefmoeder Letterenbeleid gooide het weesmeisje Thriller enkele stuivers toe. ‘Als je ooit zo verfijnd en hoogstaand wordt als je stiefzussen, kom dan maar eens terug.’

Het weesmeisje Thriller deed meer haar best. Ze studeerde op de dt-regel. Ze probeerde zinnen te schrijven met meer dan vijf woorden. Ze lette erop woorden te kiezen met meer dan drie lettergrepen. Met haar eigen zakcenten kocht ze nieuwe kleren. Toen Koning Markt in het hele land liet omroepen dat zijn zoon, Prins Publiek, een bevallige bruid zocht en daarom alle jongedames op het paleis uitnodigde, dacht ze dat haar tijd gekomen was.

Helaas. Stiefmoeder Letterenbeleid had een mooie brochure laten maken om Literatuur, Theater en Poëzie aan te prijzen. Over het weesmeisje geen woord. Voor haar ook geen dure kleren of een uitnodiging voor het galafeest. Terwijl haar stiefzussen kirrend het huis verlieten, trok weesmeisje Thriller zich terug op haar kamer. Tijdens het lezen van het essay ‘Literatuur is geen entertainment!’ viel ze in slaap.

Plots werd ze gewekt door een intens licht. In haar kamer stond een goede fee. ‘Wees niet bang, meid’, zei de fee. ‘Mijn naam is Boekhandel. Ik vind jou de moeite waard. En ik denk dat je de Prins ook zal bevallen.’ Ze haalde haar toverstaf boven en hups, weg waren de keukenmeidkleren en de klompen. Een mooie jurk en bevallige muiltjes in de plaats. ‘Vlug’, zei de goede fee, ‘ga naar het kasteel voor het te laat is!’

Op het kasteel was het feest in volle gang. Vanuit een hoekje zag Thriller haar stiefzussen rond Prins Publiek draaien. Hij maakte zich van hen los en vroeg haar ten dans. Terwijl ze de hele nacht danste, voelde ze de jaloerse blikken van haar stiefzussen in haar rug branden.

Op het einde van het feest zei de Prins: ‘Weesmeisje Thriller, wat ben jij anders dan je stiefzussen. Zij praten zo gewichtig, zij zijn zo opgetut!’ Hij fluisterde. ‘Het lijkt me dat ze op me neerkijken en vooral houden van zichzelf.’ Hij zweeg even, en zei toen, dicht bij haar oor. ‘Ik wil je beter leren kennen. Je bent pretentieloos en leuk. En je ziet er zo aantrekkelijk  uit in je spannende jurkje.’ Hij knipoogde. ‘Morgen kom ik naar je huis.’

Met haar hoofd in de wolken ging weesmeisje Thriller naar huis. Toen ze de sleutel in het slot wilde steken, dacht ze eerst dat het de verwarring van haar ontmoeting met de Prins was waardoor ze de deur niet open kreeg. Maar dan ging een raam open.
‘Jij slet!’, schreeuwde Stiefmoeder Letterenbeleid. ‘Met je hoerenkleren en je lieve glimlachje heb je de Prins verleid. Maar dat zal niet blijven duren!’ Op de achtergrond hoorde het weesmeisje haar stiefzussen huilen. Theater kwam ook even aan het raam staan, met een flinke snottebel onder haar neus. ‘Hier kom je niet meer binnen’, tierde de Stiefmoeder en woedend gooide ze het raam dicht.

Weesmeisje Thriller vluchtte in de nacht. In het bos vond ze een hutje, waar ze in slaap viel. Ze bleef in het bos wonen, dromend van haar Prins, van wie ze niets meer hoorde. Tot op een dag, terwijl ze vruchten raapte voor het middagmaal, ze hoefgetrappel hoorde. Een wit paard. Met daarop: Prins Publiek.
‘Lief weesmeisje’, zei Prins Publiek. ‘Toen ik aan je voordeur stond, vertelden je stiefzussen me dat je verdwenen was, en dat je mijn aandacht niet waard bent. Maar ik kon je niet vergeten. Ik heb het hele land naar je afgezocht.’ Hij steeg af van zijn paard, knielde neer en kuste haar hand.
‘Wil je mijn vrouw worden?’, vroeg de Prins.
Het weesmeisje knikte, haar keel verstopt door tranen van geluk.
Prins Publiek nam het weesmeisje mee naar het kasteel en organiseerde een groot feest.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Van auteur naar personage

‘Ik kom er toch wel goed uit?’, had Peter gevraagd nadat ik hem vertelde dat mijn eerste boek zou verschijnen. Hij speelde er een belangrijke rol in. Van alle mensen die erin voorkwamen had ik de naam veranderd, behalve van hem.
‘Natuurlijk kom je er goed uit’, zei ik, ‘hoe zou het anders kunnen?’

Wist ik veel op dat moment. Ik had nog geen idee van hoe een publiek reageert. Ik dacht dat iedereen het boek zou begrijpen zoals ik het geschreven had. De verschillende interpretaties van lezers, die alle kanten uit kunnen gaan, zou ik pas later leren kennen.

‘Ik kom er toch wel goed uit?’, vroeg ik verleden week, nadat Peter had verteld over zijn boek dat binnenkort verschijnt. We zaten in hetzelfde café, aan dezelfde tafel. Het merk bier van vijf jaar geleden hadden ze niet meer. We kozen een ander.
‘Natuurlijk kom je er goed uit’, zei Peter. ‘Wat had je dan gedacht?’
We dronken ons bier. Ik dacht aan mezelf als personage. Hoeveel dingen konden op hoeveel manieren gelezen worden? Ik besefte plots dat ik aan de andere kant was beland: een auteur die altijd de touwtjes in handen had, was nu overgeleverd aan de wil van een andere auteur.

Voor even was het griezelig. Al snel kwam de geruststelling. Omdat Peter een goede reus is. En omdat hij een heftig, eerlijk verhaal heeft.

Maar vooral is het spannend. En een eer, vanzelfsprekend.