De Schaduw van Dick Bruna

Het nieuws over het overlijden van Dick Bruna katapulteerde me terug naar de avond van 1 juni 2010. Ik zat in de Melkweg in Amsterdam, op het puntje van mijn stoel, gefocust op één zaak: de zeefdruk in de handen van Marion Pauw.

De zeefdruk hoorde bij de Schaduwprijs, de prijs voor het beste Nederlandstalige thrillerdebuut. De afbeelding was eenvoudig: een zwart figuurtje op een wit vel A4-papier.

Maar o, o, o, wat wilde ik die zeefdruk graag! Hij was van de hand van Dick Bruna, wereldberoemd als de geestelijke vader van nijntje, maar daarnaast ook de geniale ontwerper van talloze covers van De Zwarte Beertjes-pockets. In die reeks verschenen ook ontelbare avonturen van Havanks detective De Schaduw, het figuurtje dat was afgebeeld op de zeefdruk.

‘Ik had veel bewondering voor Havank’, zei Dick Bruna daar zelf over in het boek Gesprekken met Dick Bruna van Céline Rutten. ‘Degene voor wie ik het liefst omslagen heb gemaakt, was Havank. Het werk van Simenon ging wel veel dieper en paste ook veel beter bij mijn karakter, bij mijn werk en bij de sferen van Parijs die mij lief zijn. Maar bij de omslagen van Havank had ik het gevoel: hier heb ik de eenvoud bereikt die ik altijd wilde bereiken.’

Die mooie juni-avond in 2010 ontving ik de zeefdruk, nummer 15/15, uit de handen van Marion Pauw. Sindsdien hangt het prominent in de woonkamer, naast de verzameling beduimelde Havanks die ooit kapot gelezen werden door mijn ooms Manu en Damien. Regelmatig glijdt mijn blik naar het mannetje met de bolhoed, de paraplu en de sigaret in de mond. Je ziet hem zo in Zuid-Frankrijk rondlopen.

Het Zuid-Frankrijk waar Dick Bruna zelf graag op terugblikte in het boek van Céline Rutten: ‘In Cagnes-sur-Mer aan de Côte d’Azur had Havank een kamertje gehuurd en dat zag er net zo uit als op een schilderij van Matisse: openslaande deuren met een balkonnetje ervoor dat rechtstreeks uitkeek op zee. Rechts stond een tafeltje met zijn schrijfmachine en ik vermoed ook wel een glaasje wijn. (…) Ik ben daar meer dan eens geweest, want om daar te zijn … dat was het helemaal. (…) Om dan ’s avonds als het donker was, door die straatjes te lopen en te voelen: die en die heeft hier ook gelopen. Dat was diep geluk.’

Hoe herken je een witte raaf?

Bedrijven zoeken altijd naar de beste medewerker. Een witte raaf. Maar mensen die zich profileren als een witte raaf, zijn het vaak niet. Doorgaans brengen deze zelfvoldane medewerkers het bedrijf ernstige schade toe.

Maar hoe herken je zo’n foute witte raaf?

Solliciteren
Een witte raaf solliciteert het liefst voor een leidinggevende functie bij een prestigieus bedrijf. Zijn cv oogt in eerste instantie indrukwekkend en getuigt van talent en ambitie. Als het allemaal klopt … Tijdens zijn sollicitatiegesprek zal de witte raaf zijn netwerk en zijn verwezenlijkingen ernstig overdrijven. Hij ziet zichzelf écht als een toptalent en eist een navenant loon en voordelenpakket. Graag aangevuld met een ruime vakantie.

Wittebroodsweken
Tijdens zijn wittebroodsweken werkt de witte raaf verder aan zijn vertrouwensband met de bedrijfstop: hij ontdekt hun stokpaardjes, praat hen na en speelt in op hun zwakke plekken. Hij wordt stilaan een vertrouwenspersoon.
Tegelijk ontrafelt hij dankzij zijn oppervlakkige charme de relaties tussen de collega’s. Hij is vriendelijk tegen de mensen die nuttig kunnen zijn – op welk vlak dan ook – en neutraal tegen de mensen die voor hem geen meerwaarde bieden. Mogelijke communicatielijnen tussen zijn ondergeschikten en de directie knipt hij door onder het mom van “efficiënt management”.

Door de mand
De witte raaf valt al snel door de mand door zijn oppervlakkige kennis, zijn gebrek aan talent en zijn stuitende luiheid. Dat deert hem niet, want enkel de experts in zijn vakgebied doorzien hem. En dat zijn bijna altijd zijn ondergeschikten. Door hun ideeën en realisaties bij de directie te verkopen als de zijne en door zijn eigen fouten en blunders af te schuiven op anderen, blijft de witte raaf buiten schot. Omdat hij de enige contactpersoon met de directie is, horen zij enkel zijn kant van het verhaal.

Druk, druk, druk
Ondertussen heeft hij het “druk, druk, druk”. Hij maakte onhaalbare beloftes tegenover de bedrijfstop en zijn dienst verkeert in een malaise. Om zijn medewerkers in diskrediet te brengen, schrikt hij er niet voor terug de eigen dienst te saboteren. Op een cynische manier heffen de twee problemen elkaar namelijk op: goede resultaten zijn pas mogelijk als de dienst goed werkt. De witte raaf krijgt vrij spel om zijn dienst “te stroomlijnen”. Voordeel 1: hij krijgt uitstel om zijn doelstellingen te halen. Voordeel 2: hij kan de medewerkers elimineren die zijn ware aard kennen. Zij worden ontslagen of zoeken moegetergd zelf een nieuwe job.

Uitblinken
De witte raaf blinkt verder uit in afwezigheid. Na een urenlange lunch komt hij te laat, áls hij al komt opdagen. Zijn agenda staat vol onduidelijke afspraken en hij neemt om de haverklap vakantie.

Komt de bedrijfstop dan nooit achter zijn ware aard? Toch wel, maar vaak als het te laat is. Ondertussen heeft het bedrijf veel geld verloren, en vaak ook reputatieschade geleden bij externen die met de witte raaf in aanraking kwamen.

Maar kan het ook anders? Kan een witte raaf uiteindelijk ook zichzelf uitschakelen?
Die vraag stel ik in mijn nieuwe boek, Witte Raaf.

Het wandelshotje

wandelshotje

‘En nu nog een wandelshotje.’
De journaliste draaide zich naar de cameraman, die de omgeving afspeurde.
‘Van het kerkhof naar de bakkerij en dan de hoek om’, stelde hij voor.
De journaliste knikte.
‘Ja, dat is prima.’
Terwijl ze zich naar mij omdraaide, sjokte de cameraman naar de bakkerij.
‘Een wandelshotje?’ vroeg ik.
‘Voor de voice-over’, zei ze. ‘Dat doen we vaak.’
Ze hadden me gefilmd bij mijn boekenkast, ze hadden me kort geïnterviewd, en nu wilden ze wat actiever beeldmateriaal voor de reportage.
‘Het is simpel, hoor’, zei de journaliste. ‘Je vertrekt van op het kerkhof, hier’, – ze wees een tegel aan – ‘en je wandelt naar ons toe. Je passeert ons en gaat de hoek om.’
‘Oké’, zei ik.
‘Let erop dat je niet in de camera kijkt.’
‘Oké.’
‘En dat het natuurlijk overkomt.’
‘Natuurlijk’, zei ik. Ik glimlachte.
‘Ik geef je een teken wanneer je mag starten.’

Ze wandelde naar de cameraman. Ik keek hoe zij het deed. Relaxt. Natuurlijk. Haar collega tilde de camera als een bazooka op zijn schouder. Ik schatte de afstand twintig meter.

Ik ademde diep in, denkend aan de tijd dat ik in de schoolfanfare speelde. Daar had ik geleerd te marcheren. Ik zag de dirigent voor me, die tijdens repetities ‘links rechts links rechts’ blafte. ‘Beginnen met links!’ schreeuwde hij als een onverlaat het waagde met zijn rechtervoet te starten.
Plots stond ik weer op het podium van Dimanche Martin, het zondagmiddagprogramma op France 2. De fanfare zou er een spectaculaire choreografie brengen voor een miljoenenpubliek. Het toppunt in onze carrière. In alle huiskamers stond de videorecorder klaar om het historische moment op te nemen. De camera zoomde op me in, en ik startte met het foute been. Een ziedende blik van de dirigent en een huppelpasje later zat ik in het juiste ritme. Maar het kwaad was geschied. Op de televisie en op de videobanden van alle fanfareleden was mijn huppeltje te zien geweest.

De muziek speelde door mijn hoofd. Ti-ra-ta-ta. Ik moest erop letten niet te marcheren. Marcheren is niet natuurlijk. Ik moest er ook op letten niet te huppelen. Gewoon, simpel wandelen. Twintig meter. Ik keek naar het duo bij de bakkerij. De journaliste maakte een teken. Kom maar, las ik erin.

Ik begon met het rechterbeen. Als door een bij gestoken maakte ik een huppelpasje. Verdomme toch. Ik keek naar de televisiemensen, in de verwachting een teken te krijgen om opnieuw te beginnen. Maar de camera bleef draaien en de journaliste staarde me stoïcijns aan. Niet in de camera kijken! Ik verlegde mijn blik naar een raam in de verte, terwijl het bloed naar mijn hoofd steeg. Links rechts links rechts. De twintig meter leken een eeuwigheid te duren. Niet marcheren! Gewoon wandelen! Maar ik had geen controle meer over mijn benen, ik leek vanaf mijn middel verdoofd. Mijn benen leidden een eigen leven, als de bezems van Micky Mouse in Fantasia. Links rechts links rechts.

Met een bloedrode kop marcheerde ik voorbij de cameraman de hoek om. Stilletjes aan kwam het gevoel in mijn benen terug. De televisiemensen praatten gedempt tegen elkaar. Ik draaide me naar hen toe.
‘En?’
‘Het is oké’, zei de journaliste.
‘Dat begin knippen we eruit’, zei de cameraman.
‘Omdat ik huppelde?’
De twee wisselden een blik.
‘Je keek in de camera’, zei de journaliste met een glimlachje.

Sinds die dag let ik erop tijdens het tv-journaal. ‘Hé, een wandelshotje’, zeg ik dan. En ik kijk niet naar de wapperende doktersjas, de dossiers onder de arm van de politicus of het boek dat de schrijver in zijn handen klemt. Ik kijk naar de rode kop, naar de ogen die star voorbij de camera kijken, en naar de benen die een eigen leven leiden. Links rechts links rechts.

Deze column verscheen eerder deze week tijdens de Hebban Thriller Tiendaagse.

 

De House-curve: hoe slechter de muziek, hoe luider

House-curve

De zomer is een tijd van rust en genieten. Van lekker eten en aperitiefjes op het terras, en … luide muziek bij de buren.

Wetenschappers van de universiteiten van Zwolle en Sint-Truiden deden onderzoek naar het fenomeen van de zomerse tuinmuziek. Ze kwamen tot een verrassende conclusie: ‘De muzieksmaak van mensen is omgekeerd evenredig met het volume waarop ze haar draaien’, zegt Bert Parasol, hoofd van de vakgroep Dynamische Groepspsychologie aan de UZ (Universiteit Zwolle). ‘We zien een duidelijk verband: hoe slechter de muziek, hoe harder ze wordt gezet.’

De onderzoekers deden metingen in een honderdtal woonwijken in Vlaanderen en Nederland. ‘We noteerden de geluidssterkte van elk type muziek’, zegt Alfons Zonneslag, professor Sociale Demagogiek aan de UST (Universiteit Sint-Truiden). ‘Om interferentie te vermijden, kozen we woonwijken die ver liggen van festivalterreinen.’ De metingen gebeurden in de maanden juni, juli en augustus van 2010 tot 2014.

Het resultaat was verbluffend. ‘Als we het muziekgenre in een grafiek plaatsen tegenover de geluidssterkte, zien we een duidelijke House-curve’, zegt Parasol.

‘Mensen met een goede muzieksmaak houden het stil. Zij genieten in de privésfeer van muziek en voelen niet de nood die te delen met de hele buurt. Het zijn fijnproevers die ook behoefte hebben aan rust en stilte.’

De volumeknop gaat al een stuk meer naar rechts bij fans van rock uit de jaren ’70 en ’80. ‘We hebben hier te maken met een publiek dat zijn tweede jeugd wil beleven. Het zijn voornamelijk mannen met een midlifecrisis. Zij draaien veel Kiss, Aerosmith en AC/DC. Bij vrouwen scoren Bon Jovi en Bryan Adams. Zijn hit ‘Summer of 69′ werd in 95 % van de woonwijken geregistreerd.’

Opvallend is het hoge aantal decibels van schlagers in de House-curve. ‘Hier moeten we opletten voor ruis. Schlagers zijn populair bij senioren; het hoge volume kan te wijten zijn aan hun grotere hardhorigheid.’

De top van de House-curve wordt bezet door populaire house en dance. ‘In de zomermaanden kan je niet ontsnappen aan dit soort muziek’, zegt Zonneslag. ‘Ze is alomtegenwoordig en knált werkelijk uit de boxen. Nochtans kan langdurige blootstelling leiden tot mentale afstomping, nerveuze ledematen of hevige woedeaanvallen. Schadelijke gevolgen op de lange termijn zijn niet uit te sluiten, zeker bij jonge kinderen, mensen met hartkwalen en kleine huisdieren. Het is aangewezen dat de overheid initiatieven neemt in het kader van de volksgezondheid.’

Het volume daalt opnieuw bij mensen die luisteren naar Knuffelrock. ‘Knuffelrock wordt immers vooral beluisterd door vrouwen met liefdesverdriet. Zij hunkeren naar warmte en tederheid. Dit gebeurt eerder in een donker hoekje tussen de zachte kussens en de tissues dan op een zomers terras.’

‘Mogelijk bestaat er een correlatie tussen het draaien van luide muziek in de zomer en andere specifieke sociale gedragingen, zoals smakken op restaurant, sluikstorten of parkeren voor de garage van de buren. Verder onderzoek zal dit moeten uitwijzen’, besluit professor Parasol.

Spoorwegen beginnen strijd tegen gevaarlijke natuurverschijnselen

Zopas maakten de NMBS en spoorwegbeheerder Infrabel een top 5 bekend van gevaarlijke natuurverschijnselen waartegen een actieplan is opgestart. Dat is het gevolg van een botsing tussen een werktrein en een passagierstrein in Linkebeek, maandag jongstleden. 16 mensen raakten toen licht gewond. De aanrijding was te wijten aan ‘vallende bladeren in combinatie met regen’.

De NMBS en Infrabel kwamen tot deze Top 5:
– Vallende bladeren bij regen: aanrijdingsgevaar
– Rollende dennenappels (ongeacht het weertype): ontsporingsgevaar
– Dwarrelend stuifmeel bij felle zon: aanrijdingsgevaar
– Saharazand in combinatie met valwind: aanrijdingsgevaar
– Knaagdierkeutels: ontsporingsgevaar (bij mist of smog) en aanrijdingsgevaar (bij regen)

‘We zijn meteen begonnen met het actieplan te implementeren om het gevaar tot een minimum te beperken’, zegt Infrabel-woordvoerder Akke Tuut. ‘Ondertussen is al 53 kilometer van het spoornet voorzien van schrikdraad. Daarbij worden knaagdieren geëlektrocuteerd nog voor ze een keutel op de sporen kunnen leggen.’

In een volgende fase worden alle bomen in een omtrek van twee kilometer rond een spoorweg gerooid. ‘Daarmee vermijden we niet alleen vallende bladeren of rollende dennenappels’, zegt Tuut. ‘Ook beukennootjes, kastanjebolsters en berkenpollen kunnen het treinverkeer ernstige schade berokkenen.’

Op de vragen wat het actieplan gaat kosten en wat de gevolgen zullen zijn voor de stiptheid van de treinen, wil Tuut niet ingaan. Toch reageren de gebruikers in eerste instantie positief. ‘We appreciëren de inspanningen van de spoorwegen’, zegt John Perron, voorzitter van reizigersorganisatie ’t Coupeetje.

Sinterklaas wordt Captain Nico

Captain_Nico

De Nederlandse overheid is de hetze over Zwarte Piet beu. Het kabinet liet daarom een restyling van Sinterklaas uitvoeren door het Amsterdamse reclamebureau A’davertising.

‘We kunnen niet aanvaarden dat Sinterklaas en Zwarte Piet nog langer verdeeldheid zaaien binnen onze maatschappij’, zegt een woordvoerder van de minister-president. ‘Al sinds augustus doen er weer allerlei mediaverhalen de ronde over Zwarte Piet-koeken of nieuwe teksten voor Sinterklaasliedjes. Die zorgen telkens voor veel ophef. We hopen met een restyling van de Sint weer rust te creëren rond het kinderfeest.’

‘Tijdens onze eerste brainstorm merkten we dat Sinterklaas en Zwarte Piet hopeloos verouderd zijn’, zegt Ton Wimpel van A’davertising. ‘Het concept van de goedheilige man heeft al een even lange baard als Sinterklaas zelf. Hij is een ouwe vent, gekleed in een bisschoppenkleed uit de middeleeuwen. En die gekke mijter, zeg nu zelf, waar lijkt dat op?’

Via een peergroup study onderzocht het reclamebureau het merkimago van de Sint. ‘Kinderen hebben het steeds moeilijker om zich te associëren met Sinterklaas. Ze houden van de geschenken, maar de man zelf ligt niet goed. Zijn outfit en baard maken hem ouderwets, door zijn hardhorigheid en verwardheid krijgt hij soms het etiket ‘ziekelijk’ en zijn hang naar fysiek contact vinden sommige kinderen handtastelijk en vies. Er was duidelijk nood aan een herpositionering in de markt.’

Om een merk te herpositioneren is een radicale restyling nodig. ‘In eerste instantie moest Sinterklaas verjongen. In de plaats van een oude man met een schimmel op een stoomboot, maakten we van hem een jonge dertiger die zich verplaatst met een speedboat en in een elektrische auto. Een Tesla bijvoorbeeld, is dat niet cool?’

Daarna volgde een moeilijkere oefening. ‘Bij Sinterklaas botsen we op veel gevoeligheden. We besloten daarom alle religieuze connotaties te verwijderen. Geen staf, geen mijter, geen lang, wit kleed meer. Sinterklaas werd een areligieuze wereldburger. Door die keuze moest ook de naam veranderen. De sint in Sinterklaas rijmt niet met zijn neutraliteit. We probeerden enkele namen uit bij de prime target group, en uit die test kwam de naam Captain Nico als beste naar voren. Nico is een leuke naam en verwijst deels naar Sinterklaas, en Captain straalt autoriteit en heldhaftigheid uit. Hij wordt echt een figuur waarnaar kinderen kunnen opkijken.’

Blijft nog de laatste heikele kwestie: Zwarte Piet. Ton Wimpel zucht diep. ‘De zoektocht naar een goede sidekick van Captain Nico was niet eenvoudig. Er is wel altijd een minderheidsgroep die zich beledigd kan voelen. Na veel brainstormen kozen we ervoor om van de sidekick geen mens te maken, maar een dier. Uit een fast market enquiry bleek dat de cavia het populairste dier is onder kinderen. De keuze was dus snel gemaakt. Om het genderevenwicht te bewaren, gaven we de cavia de naam Nora.’

De eerste concepttekening van Captain Nico & Cavia Nora is al uitgelekt. ‘We vinden het jammer dat ze vroegtijdig is uitgelekt, want ze is zeker niet definitief’, zegt Ton Wimpel. ‘We gaan ze de komende weken nog grondig testen bij het publiek. Maar we zijn ervan overtuigd dat Captain Nico en Cavia Nora Sinterklaas en Zwarte Piet snel zullen doen vergeten.’

Het Monster van Calais

September is geen leuke maand voor mensen die bang zijn voor spinnen. Een donkere plek op een muur, in een bad of op de vloer doet je hart stilstaan. Zeker als die vlek begint te bewegen. Je kan alleen nog maar rillen bij de gedachte aan  dat harige lijf, die acht lange poten en dat vreemde, buitenaardse kopje vol groene, fonkelende oogjes.

Het wordt er niet beter op als nieuwssites een horrorbericht de wereld insturen onder de titel ‘Gigantische spin zorgt voor paniek in Wallonië’. In het Noord-Franse Calais vond een winkelier onlangs een gi-gan-ti-sche spin in zijn magazijn, vertelt het artikel. Uit angst belde de winkelier de brandweer, die het dier kwam verwijderen en voor onderzoek overbracht naar een specialist. Op de bijgaande foto zie je het monster: het lijkt alsof het op een muur zit, net boven de vloer en naast een raam, zodat je het minstens 50 cm groot schat. Voor zó’n spin zou je inderdaad de brandweer bellen. Het leger zelfs.

Maar de spinnenspecialist verklaarde dat de griezel – die eruitziet alsof hij elke dag een poedel oppeuzelt – geen mensen aanvalt. Het is een soort huisspin. Die vaak bij ons voorkomt. Live with it. 

Meteen brak paniek uit in Wallonië, zo meldt Het Nieuwsblad, want de gi-gan-ti-sche spin stond al klaar om de grens over te steken. De redactie van Sudpresse werd overspoeld met foto’s van lezers die dachten een gelijkaardig beest gezien te hebben. De nieuwssite schakelde een Zwitserse expert in om de foto’s te bestuderen. In Noord-Frankrijk werd de originele foto duizenden keren gedeeld op sociale media.

Maar dan blijkt het Monster van Calais helemaal geen monster te zijn. In een filmpje  is de spin nog altijd een fors exemplaar, maar een dagelijkse portie poedel? Nee, dat zie ik niet meer gebeuren. De originele foto is gezichtsbedrog. Het juiste perspectief, met een raamkozijn en een vensterbank in plaats van een muur en een vloer, brengt het diertje terug tot zijn juiste proporties. Het horrorverhaal is niets anders dan opgeklopt non-nieuws.

Het bericht deed me denken aan Orson Welles, die met zijn geloofwaardige hoorspel The War of the Worlds, over een aanval van Marsmannetjes, een grote paniek had doen ontstaan onder een deel van de Amerikaanse bevolking. Dat was in de jaren dertig, maar het kan dus nog altijd: een misleidende foto, een opgeklopt verhaal, een veel voorkomende fobie en de kracht van de sociale media, en daar heb je het. Volgens de media was het een algemene paniekgolf. Laten we het houden op een collectief griezelmoment.

Het graf

Het Graf

Ik vroeg me net af of we ooit nog de bewoonde wereld zouden bereiken, toen we het graf ontdekten.

Een eeuwigheid eerder waren we vertrokken voor een wandeling. Onze bergschoenen hadden we thuis gelaten, want bergschoenen gebruik je in de Pyreneeën, de Vogezen of de Alpen. Niet in de Ardennen.

Dus klauterden we langs riviertjes de hellingen op en langs boomwortels weer af, ik op mijn stadsschoenen en zij op haar ballerina’s.

Slechts één vraag hield me bezig.
Wie zou er het eerst bij ons zijn als we onze enkels verstuikten, de traumahelikopter of de wolven?

‘Zijn hier wolven?’ vroeg ik.
‘Geen idee’, zei zij, ‘maar er zijn wel vossen.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik zag er gisteren drie op de weg liggen, doodgereden.’
Dat zijn er drie minder die ons kunnen opvreten, dacht ik.

Er rommelde iets in het struikgewas – geen vos of wolf, zelfs geen knaagdier. Dikke, ronde vogels trippelden over de grond in plaats van te vliegen. Er rommelde ook iets in de lucht – nog ver weg, iets dat we nog konden negeren.

‘We zijn verdwaald’, zei ik, ‘we volgen het verkeerde pad.’
En toen zei zij niets. Ze stond daar maar. En keek.

Het kruis was begroeid met mos. Scheefgezakt.
‘Er staat iets op’, zei ze.
‘Ici a été noié Jean François Colar, Guilleaume Lefevre ,tous deux de Falmignoul, le 3 mars 1778, requiscant in pace.’

‘Twee mensen zijn hier verdronken’, zei ze.
Ze wachtte op mijn reactie.

Dichtbij lachten kinderstemmen. De bewoonde wereld.

De wedergeboorte van Michael Schumacher

Ontwaken2

Het moet een mooi moment geweest zijn, afgelopen maandag, toen een neuroloog uit Grenoble aan het bed van Michael Schumacher ging staan en bevestigend knikte.
‘Ja, hij is wakker.’

Een zucht van verlichting bij de familie, na maanden wachten, na zoveel valse hoop. Want in elke spastische beweging dachten ze het moment van ontwaken te ontwaren.

Amper een uur later berichtten de media dat de voormalige F1-piloot het ziekenhuis had geruild voor een revalidatiecentrum. ’s Avonds meldde een internetkrant dat ‘Schumacher al had gecommuniceerd met zijn familie’. Onder het artikel stonden goedbedoelde reacties van lezers die hoopten dat Schumi’s revalidatie ‘voorspoedig zou verlopen’ en dat hij ‘volledig de oude’ zou worden. De berichtgeving deed bij sommige mensen het beeld ontstaan van Schumacher die zich de slaap uit de ogen wrijft, zijn familie vraagt wat er al die maanden gebeurd is, en naar het revalidatiecentrum vertrekt om zijn weggeteerde spieren weer aan te sterken.

Zovele jaren geleden keek ik in een ziekenhuiskamer naar een neuroloog. Hij wandelde rond het bed, wreef even over zijn kin en zei dan:
‘Ja, ze is wakker.’

Al snel beseften we dat ‘wakker worden’ een misleidende term is na een coma. Van iemand die wakker wordt, verwacht je dat hij verder gaat, dat hij het leven herneemt. De slaap is een druk op de pauzeknop.

Wat gebeurt na een coma is geen ontwaken; het is een wedergeboorte. Het is geen pauze, maar een reset. Als een baby moet de patiënt zijn eigen lichaam en de wereld leren kennen. Communiceren doet hij door met de ogen te knipperen of in een hand te knijpen. Grijpen, bewegen, slikken; zelfs de simpelste basisfunctie moet opnieuw aangeleerd worden.

Ik moest terugdenken aan het engelengeduld waarmee de therapeuten in het revalidatiecentrum van UZ Gent hun patiënten begeleiden naar een nieuw leven, aan de voorzichtigheid waarmee ze deze gebroken mensen stapje voor stapje oplappen. Eerst van de ene zij op de andere leren rollen, benen strekken, een bal gooien en vangen. Pas later, weken of maanden na de wedergeboorte, volgen de aartsmoeilijke zaken: tanden poetsen, een hemd knopen, veters strikken. De patiënten zijn blij met elke kleine stap die ze maken, maar de mens die ze waren, worden ze nooit meer.

De fans die hopen dat Schumacher ooit nog op skilatten een berg afglijdt, staat een ontgoocheling te wachten.