De Quote

DonkereToren-quote

Over sommige schrijvers wil je geen kwaad woord horen. Vaak omdat je hun oeuvre leerde kennen in je tienerjaren. Tijdens een etentje ontstond ooit een discussie over A. F. Th. van der Heijden. Iemand verdedigde hem vurig, met als belangrijkste argument: ‘Toen ik 17 was, blies Vallende ouders mij omver.’ 

Er zijn enkele boeken die mij omver geblazen hebben in de jaren dat ik te oud werd voor jeugdboeken: Papillon (Henri Charrière), Alles moet weg (Tom Lanoye), Anus Mundi (Wieslaw Kielar), Suiker (Hugo Claus), De Tunnel (André Lacaze), Olivetti 82 (Eriek Verpale), Animal Farm (George Orwell) en De Rattenoorlog (David L. Robbins). Maar van één auteur was het zijn volledige oeuvre dat diepe indruk maakte. Zo erg zelfs dat er een spelletje ontstond tussen mij en mijn bibliotheekvrienden Lode en Kurt om als eerste een nieuw boek van hem te lenen.

‘Bwah’ en ‘Pffft’ zijn reacties die ik vaak krijg als ik het heb over Stephen King. En daarna: ‘Ik heb het eens geprobeerd, maar…’, gevolgd door schouderophalen. Die reactie kan ik best begrijpen, want het hangt er een beetje van af welk King-boek je eerste kennismaking is. Ik had het geluk eerst het soort King-boeken te lezen die me het meest bevallen, namelijk de romans met weinig of geen paranormale hocus-pocus.

Kings talent voor psychologische horror komt het beste naar voren in zijn boeken over gewone stervelingen die in afschuwelijke situaties terechtkomen, vaak zonder dat er sprake is van paranormaal gedoe, bijvoorbeeld:
Cujo: een hondsdolle Sint-Bernard terroriseert een vrouw en haar zoontje,
Misery: na een verkeersongeval wordt schrijver Paul Sheldon wakker in het huis van zijn grootste fan, die al snel zijn grootste nachtmerrie wordt,
Het meisje dat hield van Tom Gordon: een meisje verdwaalt in het bos en hoopt dat haar liefde voor baseballspeler Tom Gordon haar zal redden,
Een goed huwelijk (kortverhaal in de bundel Aardedonker zonder sterren): een vrouw ontdekt dat haar man een gezochte seriemoordenaar is en beslist om het te verzwijgen.
Van dit soort King-verhalen werden enkele van de meest beklijvende films gemaakt, zoals Misery, The Shawshank Redemption, Stand by Me of Dolores Claiborne.

Vervolgens zijn er de boeken met een paranormaal hoofdpersonage. De bekendste personages in die categorie zijn Carrie (een meisje dat de pesterijen van haar klasgenoten beu is), en de reus John Coffey uit The Green Mile (een terdoodveroordeelde met de kracht mensen te genezen). Maar de paranormale gave kan ook gewoon bij een machine liggen (zoals Christine, een Plymouth Fury met een slecht karakter) of bij een voorwerp (een simpele trap in 22-11-1963). ‘Het meest ongeloofwaardige geloofwaardig maken is het meesterschap van Stephen King’, schreef recensent Fred Braeckman deze week op de Knack-site. Helemaal terecht, al hebben sommige mensen mogelijk al moeite hierin mee te gaan.

Nog verder gaat King in zijn boeken waar een hele omgeving paranormaal is, waar diverse universa samenkomen of waar mensen worden bedreigd door buitenaards gespuis. Dat leverde meesterwerken op als The Shining en De Noodzaak, maar ook romans waarin het allemaal wat véél wordt (Desperation, Duma, Lisey’s verhaal).

En dan heb je nog King’s fantasy-epos De Donkere Toren. Daarover zegt King zelf: ‘Als ik ergens voorlees uit mijn werk vraag ik de aanwezigen soms om hun hand op te steken als ze een of meer van mijn romans hebben gelezen. Aangezien ze de moeite hebben genomen naar de lezing te komen – en soms moeten ze zelfs een babysitter inhuren of een keer extra tanken – is het natuurlijk geen verrassing dat de meesten hun hand opsteken. Dan vraag ik ze om hun hand omhoog te houden als ze een of meer van De Donkere Toren-verhalen hebben gelezen. Als ik dat zeg, gaat altijd minstens de helft van de handen omlaag’ (De scherpschutter, p. 18-19).

Tot vorige week behoorde ik tot de groep die zijn hand omlaag zou hebben laten zakken. Nu niet meer, want toen ik in mijn favoriete boekhandel struinde, viel mijn oog op een nieuwe editie van het laatste De Donkere Toren-deel. Ik las de achterflap.

Om daar een quote aan te treffen.
Van mezelf.
Een quote van mezelf! Op een boek van Stephen King! Het oeuvre waar ik vroeger om vocht met Kurt en Lode (al betekent vechten  in een bibliotheek hooguit elkaar in stilte porren).

Ik kocht het boek. Maar De Donkere Toren bestaat uit 7 (!) delen.
Het spreekt voor zich dat ik ze nu allemaal in huis haal.

Voor het volgende jaar heb ik leesvoer genoeg.
En geen kwaad woord erover.

Pietenvereniging naar Europees Hof

De Vereniging van Mensen met de Voornaam Piet (kortweg de Pietenvereniging) diende vandaag een klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ze eist een dringend verbod op het gebruik van de benaming Zwarte Piet. “Zo kan het echt niet meer verder”, zegt voorzitter Piet Hoefslags. “We vrezen voor het leven van onze leden.”

“Onze vereniging werd in 1950 gesticht door Piet van den Stoomboot”, zegt secretaris Piet Suikergoed. “Het was de bedoeling om alle mensen met de voornaam Piet samen te brengen.  De vereniging kende meteen succes. Er werden allerlei activiteiten georganiseerd: sportwedstrijden, toeristische uitstappen en museumbezoeken. Op de barbecue ter ere van ons 50-jarig bestaan waren maar liefst 5 257 Pieten met hun gezin aanwezig.”

“De Pietenvereniging nam de drastische stap naar het Europees Hof nadat vorige week het clublokaal werd beklad. Een Piet willen wij niet, kalkte een tegenstander op de ramen. Op dat moment was net de algemene vergadering aan de gang. “We hoorden eerst een hard geklop en dan een zacht geklop. We vroegen ons af: wie kan dat zijn, zo laat op de avond? Maar dit vandalisme hadden we niet verwacht.”

De laatste jaren raakte de vereniging in het slop. “Door de negatieve berichtgeving over Sinterklaas durven veel Pieten niet meer openlijk hun voornaam te noemen”, zegt Hoefslags. “Van zodra de eerste Sinterklaaskoeken in het straatbeeld verschijnen, houden we ons hart vast. Maar wij hebben niets, helemaal niets, te maken met Sinterklaas! Dat kunnen we niet genoeg benadrukken. Wij zijn het beu dat onze mooie voornaam in de pers wordt zwartgemaakt. Het onderzoek door de VN is de druppel die de emmer doet overlopen. Vroeger bleef het debat beperkt tot Nederland, maar nu wordt onze voornaam internationaal door het slijk gehaald. Op één dag slonk ons ledenaantal met honderd Pieten. We vrezen dat zij de druk niet meer aankunnen. Veel Pieten belanden in een depressie. Van sommige ex-leden vernamen we dat ze hun naam zelfs veranderden in Kris, Wouter of Sabien.”

De Pietenvereniging is nochtans een verdraagzame organisatie. “Wij verafschuwen elke vorm van racisme. Iedereen is bij ons welkom. Geslacht, ras, godsdienst of seksuele voorkeur, het maakt ons niet uit, zolang je maar Piet heet. Een Piet is doorgaans een sociaal, joviaal en goedlachs mens. We maken ons grote zorgen over de toekomst van onze voornaam.”

Volgens de vereniging is de oplossing simpel. “Verander de naam Zwarte Piet in Zwarte Jan. De naam Jan wordt nu al op allerlei manieren belachelijk gemaakt: voor Jan Lul staan, Jan met de pet, Jantje zag eens pruimen hangen, een Jan Salie, Jan en alleman, Jantje Contrair en ga zo maar door. Mensen met de naam Jan hebben al een groot incasseringsvermogen, dit kan er ook wel nog bij.”

De Ridder – Een wankel evenwicht

De Ridder - Een wankel evenwichtOp zondag 13 oktober start op één de nieuwe fictiereeks De Ridder. De reeks is genoemd naar het hoofdpersonage Helena De Ridder, een ambitieuze openbaar aanklager van het parket in Gent, die haar eigen strijd voert voor meer rechtvaardigheid. De hoofdrol wordt vertolkt door Clara Cleymans. Belangrijke bijrollen zijn voor Michaël Pas, Stefaan Degand, Katelijne Damen en Lucas Van den Eynde.

Uniek aan de serie is dat ze vertrekt vanuit de bijzondere invalshoek van het Openbaar Ministerie. Waar in de meeste misdaadreeksen de rol van het parket wordt weg gegumd ten voordele van de politiediensten, richt De Ridder de camera op het werk van de substituut-procureurs. In elke aflevering volg je een zaak van de misdaad tot aan de veroordeling.

Mooi is ook dat de serie niet mikt op de zware criminaliteit. Geen seriemoordenaars, georganiseerde misdaad of internationale complotten, maar de belevenissen van gewone mensen die dreigen vermalen te worden in het gerechtelijke apparaat.

Dat was hetgeen me het meest aansprak toen Uitgeverij Lannoo me vroeg een voorstel in te dienen voor een boek bij De Ridder. Het verhaal is een aparte case naast de serie, maar ademt wel dezelfde sfeer. Net als de serie gaat het boek over gewone burgers die plots midden in de belangstelling van het gerecht komen te staan. De arbeider Levi Pelckmans maakt met enkele kameraden een afschuwelijk incident mee aan een stakingspost en komt daardoor in het vizier van Helena De Ridder.

‘Helena is een interessante vrouw om te volgen’, liet mijn uitgever me weten na een eerste lezing van het verhaal. Dat vond ik ook toen ik de scenario’s van de serie las en de eerste twee afleveringen zag. Het was een waar genoegen om te werken met het personage van scenarist Rik D’hiet, dat in een artikel in Het Nieuwsblad omschreven wordt als ‘een vurig jong ding’.

Meer info over het boek vind je hier.

Crimezone Beste Thriller van het Jaar

Hellekind is geselecteerd voor de Crimezone Beste Thriller van het Jaar-verkiezing. Uit meer dan 400 boeken koos Crimezone 99 titels. Daarvan zijn er 22 Nederlandstalig, die kans maken op de prijs voor het beste Nederlandstalige boek. Hellekind is de enige Vlaamse kanshebber.

De Crimezone Beste Thriller van het Jaar-verkiezing is een publieksprijs. Stemmen op je favorieten kan hier, tot 15 oktober.

De lanterfanter

Lanterfanter

Het is altijd hetzelfde: al hangt er een gigantische deadline boven mijn hoofd, toch slaag ik erin om een groot deel van mijn schrijftijd te verkwanselen. Door de krant te lezen, door naar mijn boekenkast te staren, door foto’s van dieren en vakantiebestemmingen te liken op facebook, door voor de vijfde keer naar een nieuwssite te surfen waarop niets nieuws te lezen valt of door nog maar eens te kijken of er al een nieuwe aardbei in de moestuin is gegroeid (tegen beter weten in, want nee, zo’n aardbei groeit niet in één uur).

Ik erger me blauw aan mijn eigen lanterfantende manier van schrijven, waardoor ik ’s nachts in paniek wakker schiet bij de gedachte aan alle gemiste woorden en hoofdstukken die ik weer voor me uit heb geschoven. Dan lig ik even in het donker te turen en beloof mezelf plechtig morgen éérst te schrijven en dan pas internet te openen enzovoorts.

Daarom klikte ik vandaag tijdens een lummelmoment op facebook een test aan, gelanceerd door het Vlaamse magazine Psychologies. ‘Hoe ga jij om met je tijd?’, vroeg de test. In de begeleidende tekst stond: Ben jij iemand die tijd verspilt of ga je er net zorgvuldig mee om? Het antwoord op die vraag kon ik al raden, maar ik wilde zekerheid. Ben ik een lanterfanter of niet? Na 12 vragen zou daar een definitief en objectief antwoord op volgen.

Ik vulde de vragen in en daar verscheen het antwoord. Dat was toch even slikken:
Waarom stel je alles zo lang uit?, vroeg de website. Ben je misschien bang om een opdracht af te ronden en beoordeeld te worden? Door er pas op het laatste moment aan te beginnen kan je jezelf wijsmaken dat – als je meer tijd had gehad – je veel beter gepresteerd zou hebben. Achter die strategie kan schrik voor kritiek of faalangst schuilgaan. Misschien schuif je de deadline voor je uit omdat je bang bent om teleur te stellen?

Eat that, Dehouck! Daar kwam niet alleen de bevestiging wat een uitstellerige lummel ik ben, ze gooiden er nog een hele reeks psychologische vraagstukken bovenop. Heb ik faalangst? Ben ik bang om teleur te stellen? Maak ik mezelf zaken wijs?

Gelukkig bracht de site ook een oplossing voor mijn probleem:
Loop niet in twee sloten tegelijk: kies één opdracht uit die je belangrijk vindt. Maak een planning op waarin je de verschillende stappen noteert en hoeveel tijd je voorziet voor elke stap. Hang de planning ergens op waar je ze geregeld kan bekijken zodat je je mentaal kan voorbereiden op de volgende fase. Feliciteer jezelf bij elke stap die je gezet hebt. Als je alle deadlines hebt gehaald, beloon jezelf dan met een dagje rust, een cd of iets anders wat je leuk vindt. Op die manier versterk je je vermogen om taken af te werken.

Een goed idee. Zo’n planning ga ik opmaken. Morgen is dat mijn eerste taak, vóór het schrijven, en vóór het internetten en facebooken en aardbeizoeken.

Maar nu eerst eens online rondneuzen welke cd’s ik wil bestellen als beloning.

(Wil je zelf de test doen? Je vindt hem hier.)

Thrillen in stijl

Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag was Pieter Aspe te gast bij Radio 1. Tijdens het interview zei hij: “Ik vind het stom als mensen proberen om misdaadverhalen literair te maken, want dat is meestal hetzelfde als vervelend. Niet dat literatuur vervelend is, maar een verhaal vertel je op een boeiende manier, en een boeiende manier is een vlotte manier. Dan moet je echt snel vooruitgaan en je concentreren op de personages, het verhaal, het ritme van het verhaal, en dat soort dingen. En dat is meestal niet literair.” Later voegde hij daaraan toe: “Het is ook mijn bedoeling niet dat te proberen, want ik denk dat het ten koste zou gaan van de kwaliteit van mijn verhaal.” De reactie van interviewer Kobe Ilsen was sprekend. Hij wist even niet meer wat gezegd. “Ah ja… dus… ja, ja, ja”, hakkelde hij vol ongeloof.

Tja, hoe moet Aspe anders zijn formuleschrijverij verdedigen? Onlangs werd het nog ‘uitgemergeld bandwerk’ genoemd op een blog. Toch is hij niet de enige die het zegt. Zoals Tomas Ross in een interview met Crimezone: “Wij schrijven ook geen literatuur. Tot die inkeer ben ik inmiddels gekomen. De plot is belangrijker dan de stijl. Uiteindelijk gaat het er gewoon om wie het heeft gedaan of wat er is gebeurd.”

Charles den Tex, toch vaak geroemd om zijn stijl, stelde het minder scherp toen hij zijn schrijfstijl met die van zijn vrouw vergeleek op de Spanningsblog: “Zij componeert haar tekst. En die zit dan ook zo goed in elkaar, zonder moeilijk gedoe of zo. Zij is daar heel knap in. Ik schrijf drie keer sneller dan Anneloes, ik ben iemand die tempo wil maken met dan maar iets minder mooie zinnen. Dat zal haar niet overkomen. Zij is stilistisch uitzonderlijk goed.”

Waarom zou stijl minder belangrijk zijn in een misdaadroman? Waarom zou je tevreden zijn met lelijkere zinnen als het ook met mooie kan? Oké, een thriller heeft geen nood aan allerlei tierlantijnen (moeilijk gedoe of zo), maar die zijn ook in de gewone literatuur niet zo vaak te vinden. De meeste goede literatuur is vlot en toegankelijk geschreven. Een literaire stijl is niet noodzakelijk complex en gezocht. “Zo beknopt als een bankcheque moet je schrijven”, zegt Tommy Wieringa in de laatste editie van dS Weekend.

Schrijfstijl hoeft niet op de voorgrond te staan, maar is wel belangrijk voor de uitstraling van een boek, het verhoogt de betrokkenheid, het draagt bij aan de emotionele beleving van de plot, het bepaalt voor een groot stuk het leesplezier.  Een slechte stijl is ook een stijl, en maakt je verhaal gewoon… lelijk.W e hebben in àlles stijl nodig. Ook in misdaadromans.

Het mysterie van Eugène Dubois

Aan het einde van de 19e eeuw doet de wetenschapper Eugène Dubois (1858 – 1940) een spectaculaire ontdekking op Java. Zijn vondst zal de wetenschap op haar grondvesten doen daveren, denkt hij. Maar bij zijn terugkeer naar Nederland wachten Dubois enkel spot en kritiek. De Nederlandse staat eist zijn vondst op en verbitterd trekt Dubois zich terug op zijn kasteel …

Wat heeft hij precies gevonden? Waarom reageren zijn collega’s en de Nederlandse staat zo afwijzend? En hoe is Teylers Museum daarin betrokken?

Kom op MuseumMaandag 17 juni naar Teylers Museum in Haarlem en ontrafel zelf het geheim van Eugène Dubois, die van 1899 tot 1928 conservator van het Museum is geweest. De speurtocht voert je langs de mooiste ruimtes van Teylers, zoals de Grote Herenkamer, de Opkamer en de Postkamer, die exclusief toegankelijk zijn op MuseumMaandag. (Via deze link krijg je al een voorsmaakje van het prachtige gebouw.)

Ben jij de beste speurder? Dan maak je kans op een spannend boekenpakket van Uitgeverij De Geus (winkelwaarde 57,79 euro) met:
– Wrede schoonheid – Mieke de Loof
– Het hoogste bod – Toes en Hoeps (longlist Gouden Strop 2013!)
– De erfgenaam – Charles den Tex (shortlist Gouden Strop 2013!)
– De minzame moordenaar – Bram Dehouck

Ikzelf zal als een Hercule Poirot het mysterie begeleiden.
Wees er snel bij, de plaatsen zijn beperkt!
Datum en tijd: Maandag 17 juni om 11.00 en  13.00 uur.
Max 20 deelnemers per groep. Het programma duurt ongeveer 60 minuten.
Kostprijs: 10 euro per persoon, gratis als je het geschenkboekje van Loes den Hollander meebrengt. Inschrijven kan via deze link.

De wet van Wolters

Aardappelen, drank en boter had ik al, maar nu werd het moeilijk. Zo simpel stond het op het boodschappenlijstje: waspoeder. Zo ingewikkeld was het in het rek: wel tien merken. Ik besliste om een doos Dash in mijn karretje te tillen.
Net op dat moment sprak de man me aan.

‘Meneer’, zei hij. Hij wachtte tot ik hem aankeek. Hij was een klein mannetje, met kort geschoren haar en een ringbaard. Zijn hemd tot de bovenste knoop dicht. Daarboven een jasje uit ribfluweel.

‘Goeiendag’, zei ik, klaar om mijn karretje te verplaatsen, mocht het hem de weg versperren. Maar dat deed het niet. Integendeel, de man had zijn kar zelf zo gemanoeuvreerd dat ik niet meer vooruit kon.

‘U gaat in de verkeerde richting, meneer’, zei de man. Hij klemde zijn handen strakker rond de handgreep. Nadat ik hem even aankeek, wees hij naar de vloer.
‘U gaat tegen de richting in.’

Ik volgde zijn vinger. Op de vloer stond een grote, witte pijl, afgesleten door duizenden voeten en wieltjes. De pijl wees de andere kant op, dat was waar. Ik keek weer naar de man en kon een glimlach niet onderdrukken. Een spier trilde in zijn rechterwang.

‘U moet de pijlen volgen’, zei de man.
‘Je kàn de pijlen volgen’, antwoordde ik, ‘maar nergens staat dat je verplicht bent ze te volgen’. Ik duwde mijn karretje zachtjes tegen het zijne, als teken dat de discussie wat mij betrof voorbij was.

De man sloot even zijn ogen, alsof hij een plotse hoofdpijn voelde opkomen. Hij ademde in via zijn mond, waarbij hij een sissend geluid maakte.
‘Die pijlen staan er voor een vlotte circulatie door de winkel’, beet hij. ‘U verstoort de circulatie!’
Een ader zwol op zijn voorhoofd.

‘Kijk , meneer,’ zei ik op een fluistertoon alsof ik een geheim verklapte, ‘ik winkel volgens de wet van Wolters.’
Zijn gezicht veranderde. Doorheen de woede schemerde twijfel.
‘Kent u de wet van Wolters?’, vroeg ik. De man schudde het hoofd.
‘Wolters, de consumentengoeroe, zegt u niets?’
Neen. Hij zocht steun bij zijn karretje, dat hij dichter naar zich toe trok.

‘Volgens de wet van Wolters moet je je boodschappen alfabetisch doen’, zei ik. ‘Zo word je niet afgeleid door de marketingtrucs van het warenhuis. Want wie heeft die pijlen geschilderd, meneer? Het warenhuis zelf! En waarvoor? Voor de circulatie? Voor een vlotte voortgang? Laat me niet lachen! Die pijlen staan er om u langs alle rekken te leiden waarvan u niets nodig hebt. Langs snoep en chips en speelgoed en wat nog allemaal? Nee, als je alfabetisch je inkopen doet, zegt Wolters, koop je niets te veel. Je bespaart tijd en geld!’
De man werd rood. ‘Alfabetisch?’, slikte hij.

Ik knikte en wees in mijn karretje.
‘Aardappelen. Bier. Boter. Ziet u?’
‘Maar u hebt ook water mee’, riep hij, terwijl zijn gezicht weer overheerst werd door woede.
‘Chaudfontaine, ja! Met de C van Chaudfontaine. En nu sta ik bij de D van Dash.’
Ik duwde mijn karretje weer wat meer naar voor, hij trok het zijne terug.
‘Als u me nu verder laat winkelen? Alstublieft? En ik raad u aan die pijlen te negeren, en de wet van Wolters te volgen.’

‘De wet van Wolters’, fluisterde de man. Hij keek naar zijn boodschappenlijstje. Ik zag het hem in gedachten herschikken.

(Dit verhaal is gebaseerd op waargebeurde feiten.)

Op reis naar het groener gras

toerismeVorige week vroeg een journaliste me of Vlaamse boeken zich kunnen meten met de kwaliteit van buitenlandse romans. Ik gaf haar het standaardantwoord: ‘Vooral de allerbeste auteurs worden in het Nederlands vertaald; de hoge kwaliteit van die boeken is vanzelfsprekend niet haalbaar voor elke Vlaamse auteur.’

Ja maar, zei de journaliste, volgens een recensent is het in Vlaanderen simpelweg onmogelijk om zo’n goede boeken te schrijven als in Amerika bijvoorbeeld. Dat komt, zei ik, omdat we ons als lezer ook gedragen als toeristen.

Dromen we niet allemaal weg bij steden als New York en Los Angeles? Vinden we de Zuid-Afrikaanse townships niet veel spannender dan de Amsterdamse onderwereld? En de Noorse fjorden zijn toch honderd keer mooier dan de Ardennen of Zeeland?

Natuurlijk bieden die verre bestemmingen prachtige mogelijkheden om romans te schrijven, zowel cultureel, historisch als politiek. Natuurlijk kunnen we in Vlaanderen meer moeite doen om het hoogste niveau te bereiken. Maar bij het lezen van buitenlandse boeken speelt nog iets anders: de roze bril van de toerist, die zijn vakantiebestemming veel interessanter vindt dan zijn eigen, saaie woonplaats. De afgelopen maand vielen me daar drie voorbeelden van op.

Op 19 januari schreef Peter Vandermeersch, hoofdredacteur van het Nederlandse NRC Handelsblad, een column in De Standaard over allerlei problemen in “een land”. Een groot begrotingstekort, een falende regeringsvorming, een sukkelende spoorwegmaatschappij; een Vlaming herkende er meteen België in. Dat was ook Vandermeersch’ bedoeling, hij sloot af met: ‘Het land heet Nederland. Maar dat wist u al lang. Want alles wat hierboven staat kan zich alleen daar voordoen. Toch?’ Neen, een Vlaming kan zich moeilijk inbeelden dat zo’n domme dingen ook elders gebeuren.

Het idee dat alles in het buitenland beter werkt en interessanter is, komt vooral absurd over als je het hoort van een buitenlander zelf, van iemand die op groener gras kauwt dan jij. Pas een dag na de column van Peter Vandermeersch stelde de Nederlandse columnist Bas Heijne: ‘Deens drama is het gesprek van de dag, Scandinavische thrillers voeren de bestsellerlijsten aan, in Kopenhagen worden drommen rondgeleid langs uit series bekende plekken. Denemarken spreekt tot de verbeelding – zoals Nederland dat niet meer doet. Alles over Nederland wordt tegenwoordig internationaal gekraakt – onze politiek, onze musea, onze keuken. Als het niet gekraakt wordt, weet men niet dat het bestaat. Denemarken heeft The Killing. Wij hebben De verbouwing.’

Even frappant is een uitspraak van R.J. Ellory bij zijn bezoek aan Amsterdam op 7 februari. In een tv-interview vroeg thrillerrecensent John Vervoort hem waarom hij als Britse auteur zijn boeken situeert in Amerika. Ellory antwoordde op dezelfde manier als Heijne, zonder met de ogen te knipperen: ‘Amerika is een heel interessant land. Je hebt er de Kennedy’s, Las Vegas, de maffia, Hollywood. Je hebt Marilyn Monroe, Martin Luther King, de oorlog in Vietnam. Je hebt de Ku Klux Klan, de CIA en de FBI. In Engeland hebben we thee en Hobbits.’

Engeland is thee en Hobbits, Vlaanderen is bier en wielrennen, Nederland is klompen en kaas. Daarom gaan we op reis. Het opent onze wereld, het doet ons even vergeten hoe troosteloos het thuisland is. Toch ga je als toerist beter niet altijd naar dezelfde bestemming, want dan begin je ook de mindere kanten te zien. Het koude Noorden raken we al een beetje beu. We gaan nu liever naar – ik zeg maar wat – het warme Zuid-Afrika.

Om de buitenlandse schoonheid in een juist perspectief te plaatsen, is het goed regelmatig een citytrip te boeken in eigen land. Om onze eigen mooie plekjes te herontdekken. Dit jaar ga ik nog op reis naar Stephen King, Val McDermid en Hilary Mantel. Maar ik kijk evenzeer uit naar mijn bezoeken aan  Charles den Tex, Annelies Verbeke en Eveline Vanhaverbeke.

De laatste en de eerste

Vandaag kocht ik twee keer hetzelfde boek. Alhoewel. Niet helemààl hetzelfde boek.

De eerste keer was deze middag. Omdat de boekenbijlage van De Morgen voortaan op woensdag verschijnt, was ik in Standaard Boekhandel om een exemplaar van de krant te kopen. Toen viel mijn oog op een nieuwe editie van De Shining van Stephen King. Uitgeverij Luitingh-Sijthoff brengt het boek opnieuw uit in aanloop naar het vervolg, Dr. Sleep, dat verschijnt op 25 september 2013. In de inleiding van deze zeventiende druk stelt Stephen King dat De Shining voor hem een kruispuntroman was, de roman waarmee hij in zijn oeuvre een stapje hoger ging.

Ik had het boek al gelezen, lang geleden in een geromantiseerd verleden. Maar ik wil het toch in mijn boekenkast hebben staan, dus kocht ik het voor 12,50 euro.

Was dat wel een goed idee? Onze bibliotheek barst nu al uit haar voegen. Op de wandeling terug naar huis passeer ik een Oxfam tweedehands boekenwinkel, schoot me door het hoofd. Ik besliste er vandaag eens te vragen of ze boeken overnemen, dan is meteen het plaatsprobleem opgelost.

Dus stapte ik vanavond de winkel binnen, en zoals het altijd gebeurt bij boekhandels, begon ik in de rekken te snuffelen. Niet zo heel veel Nederlandstalige romans. Veel pockets. Drie boeken van Stephen King. Waaronder een eerste druk van Het tweede gezicht uit 1978. King was nog niet erg bekend toen, want op de achterflap staat: ‘Stephen King is door de verfilming van zijn eerste boek, Carrie midden in de belangstelling komen te staan. De film is formidabel. (…) Wat dat betreft evenaart de film het boek: Het houdt je – griezelend en huiverend- van bladzij tot bladzij geboeid. Dat geldt evenzeer voor Het tweede gezicht, Kings nieuwste en meest ambitieuze boek, waarvan de film ondertussen wordt voorbereid. De hoofdrol daarin zal worden gespeeld door Jack Nicholson (One flew over the cuckoo’s nest).’

Ik wandelde naar de toonbank en kocht Het tweede gezicht voor 2 euro.  Ik stak deze eerste druk bij de zeventiende druk van De Shining, de titel waaronder Het tweede gezicht een bestseller werd.

Shining-Tweedegezicht