Het wandelshotje

wandelshotje

‘En nu nog een wandelshotje.’
De journaliste draaide zich naar de cameraman, die de omgeving afspeurde.
‘Van het kerkhof naar de bakkerij en dan de hoek om’, stelde hij voor.
De journaliste knikte.
‘Ja, dat is prima.’
Terwijl ze zich naar mij omdraaide, sjokte de cameraman naar de bakkerij.
‘Een wandelshotje?’ vroeg ik.
‘Voor de voice-over’, zei ze. ‘Dat doen we vaak.’
Ze hadden me gefilmd bij mijn boekenkast, ze hadden me kort geïnterviewd, en nu wilden ze wat actiever beeldmateriaal voor de reportage.
‘Het is simpel, hoor’, zei de journaliste. ‘Je vertrekt van op het kerkhof, hier’, – ze wees een tegel aan – ‘en je wandelt naar ons toe. Je passeert ons en gaat de hoek om.’
‘Oké’, zei ik.
‘Let erop dat je niet in de camera kijkt.’
‘Oké.’
‘En dat het natuurlijk overkomt.’
‘Natuurlijk’, zei ik. Ik glimlachte.
‘Ik geef je een teken wanneer je mag starten.’

Ze wandelde naar de cameraman. Ik keek hoe zij het deed. Relaxt. Natuurlijk. Haar collega tilde de camera als een bazooka op zijn schouder. Ik schatte de afstand twintig meter.

Ik ademde diep in, denkend aan de tijd dat ik in de schoolfanfare speelde. Daar had ik geleerd te marcheren. Ik zag de dirigent voor me, die tijdens repetities ‘links rechts links rechts’ blafte. ‘Beginnen met links!’ schreeuwde hij als een onverlaat het waagde met zijn rechtervoet te starten.
Plots stond ik weer op het podium van Dimanche Martin, het zondagmiddagprogramma op France 2. De fanfare zou er een spectaculaire choreografie brengen voor een miljoenenpubliek. Het toppunt in onze carrière. In alle huiskamers stond de videorecorder klaar om het historische moment op te nemen. De camera zoomde op me in, en ik startte met het foute been. Een ziedende blik van de dirigent en een huppelpasje later zat ik in het juiste ritme. Maar het kwaad was geschied. Op de televisie en op de videobanden van alle fanfareleden was mijn huppeltje te zien geweest.

De muziek speelde door mijn hoofd. Ti-ra-ta-ta. Ik moest erop letten niet te marcheren. Marcheren is niet natuurlijk. Ik moest er ook op letten niet te huppelen. Gewoon, simpel wandelen. Twintig meter. Ik keek naar het duo bij de bakkerij. De journaliste maakte een teken. Kom maar, las ik erin.

Ik begon met het rechterbeen. Als door een bij gestoken maakte ik een huppelpasje. Verdomme toch. Ik keek naar de televisiemensen, in de verwachting een teken te krijgen om opnieuw te beginnen. Maar de camera bleef draaien en de journaliste staarde me stoïcijns aan. Niet in de camera kijken! Ik verlegde mijn blik naar een raam in de verte, terwijl het bloed naar mijn hoofd steeg. Links rechts links rechts. De twintig meter leken een eeuwigheid te duren. Niet marcheren! Gewoon wandelen! Maar ik had geen controle meer over mijn benen, ik leek vanaf mijn middel verdoofd. Mijn benen leidden een eigen leven, als de bezems van Micky Mouse in Fantasia. Links rechts links rechts.

Met een bloedrode kop marcheerde ik voorbij de cameraman de hoek om. Stilletjes aan kwam het gevoel in mijn benen terug. De televisiemensen praatten gedempt tegen elkaar. Ik draaide me naar hen toe.
‘En?’
‘Het is oké’, zei de journaliste.
‘Dat begin knippen we eruit’, zei de cameraman.
‘Omdat ik huppelde?’
De twee wisselden een blik.
‘Je keek in de camera’, zei de journaliste met een glimlachje.

Sinds die dag let ik erop tijdens het tv-journaal. ‘Hé, een wandelshotje’, zeg ik dan. En ik kijk niet naar de wapperende doktersjas, de dossiers onder de arm van de politicus of het boek dat de schrijver in zijn handen klemt. Ik kijk naar de rode kop, naar de ogen die star voorbij de camera kijken, en naar de benen die een eigen leven leiden. Links rechts links rechts.

Deze column verscheen eerder deze week tijdens de Hebban Thriller Tiendaagse.

 

De rosé van de literatuur

ThrilersRosé

Ze lagen mooi naast elkaar op de ontbijttafel: het reclameblaadje van de supermarkt en de weekendkrant. De actiefolder stond bol van de WK-prullaria, barbecueschotels en roséwijnen. Op de cover van de weekendkrant werd reclame gemaakt voor een reeks topthrillers aan een spotprijs.

Roséwijnen en thrillers hebben veel gemeen. Bij het aanbreken van de zomer trekken ze onze aandacht als zoemende hommels rond een lavendelstruik. Terwijl de supermarkten hun roséwijnen een prominente plaats geven, krijgen thrillers een podium in de VN Detective & Thrillergids, de Knack Moordzomer, de Maand van het Spannende Boek en kranten en tijdschriften. Het is méér dan zomaar reclame; de roséwijn en de misdaadroman doen ons verlangen naar warme stranden, ligzetels en parasols, teenslippers en zonnebrandolie.

In het magazine van de weekendkrant schreef wijnkenner Bruno Vanspauwen een artikel over rosé. ‘Steeds meer wijnbouwers maken er vandaag een erezaak van om in hun gamma ook een kwalitatieve rosé op te nemen. Wijnliefhebbers kijken er niet langer op neer, integendeel, het staat vandaag chic om een rosé te bestellen. Waarom ook niet? Een kwaliteitsrosé wordt op een gelijkaardige wijze gemaakt als een rode wijn.’ Hé, dacht ik, je kan net zo’n tekst schrijven over misdaadromans.

Vanspauwen gaat verder: ‘Hij [de rosé] heeft een eigen karakter. Ook culinair staat hij zijn mannetje. Zo harmonieert hij goed met charcuterie, gerookte en gegrilde vis (zoals tonijn en zalm), vegetarische gerechten en de Aziatische keuken.’ Met andere woorden: een rosé drink je niet alleen in de zomer, het hele jaar door is hij een uitstekende partner bij veel gerechten.

Misdaadromans zijn de rosé van de literatuur: heerlijk tijdens lome zomerdagen, maar ook de rest van het jaar een uitstekende keuze.

(Het volledige artikel over roséwijn vind je hier.)

Assepoester en de thriller

In zijn laatste boek Restletsels schrijft Jeroen Brouwers over het etiket ‘literaire thriller’: “Zoals men een pannekoek zou aanprijzen als een creatie van banketbakkerskunst.” Het is de laatste – en met voorsprong de mooiste –  belediging in de ondertussen eindeloze rij aan het adres van de (literaire) thriller. Gelukkig besteden lezers geen aandacht aan zulke praat.

Wat zit er achter dit soort gefrustreerde opmerkingen? Om in de culinaire sfeer te blijven: Brouwers  beschouwt zichzelf als een sterrenchef en thrillerauteurs als frituristen. Goed hoor, maar van échte sterrenchefs lees ik nooit neerbuigende opmerkingen over brasserieën of frituren. Waarom zouden ze ook? Alleen de zelfverklaarde elite van de literatuur kan het blijkbaar niet laten. Zou de reden daarvoor kunnen liggen in… het sprookje van Assepoester?

Heel lang geleden, in een land hier ver vandaan, leefde het weesmeisje Thriller. Ze woonde bij haar stiefmoeder Letterenbeleid, die zelf drie dochters had: Literatuur, Theater en Poëzie. De dochters waren beeldschoon en zeer getalenteerd, maar ze hadden een moeilijk karakter en waren erg verwend. Hun moeder gaf hun jaarlijks een flinke smak geld, zo konden ze in alle rust aan hun persoonlijke ontwikkeling werken. Maar snel tevreden waren ze niet. Voor kleine bedragjes haalden zij hun neus op.

Op een dag vroeg het weesmeisje Thriller: ‘Allerliefste stiefmoeder, ik doe hard mijn best, kunt u mij ook een beetje steunen?’
Stiefmoeder Letterenbeleid lachte schamper.
‘Kijk eens naar jezelf, kind. Met je keukenmeidkleren aan! Met je haar in de war! Met je simpele woordenschat! Waarom zou ik jou iets geven? Hoe zou jij ooit zo hoogstaand kunnen worden als mijn dochters?’
De zusjes Literatuur, Theater en Poëzie giechelden; ondertussen vulden ze hun reiskoffers – o, wat hadden ze lang moeten zeuren om die Vuitton-tassen – voor een bezoek aan een wereldstad die hun oeuvre zou verrijken.
Stiefmoeder Letterenbeleid gooide het weesmeisje Thriller enkele stuivers toe. ‘Als je ooit zo verfijnd en hoogstaand wordt als je stiefzussen, kom dan maar eens terug.’

Het weesmeisje Thriller deed meer haar best. Ze studeerde op de dt-regel. Ze probeerde zinnen te schrijven met meer dan vijf woorden. Ze lette erop woorden te kiezen met meer dan drie lettergrepen. Met haar eigen zakcenten kocht ze nieuwe kleren. Toen Koning Markt in het hele land liet omroepen dat zijn zoon, Prins Publiek, een bevallige bruid zocht en daarom alle jongedames op het paleis uitnodigde, dacht ze dat haar tijd gekomen was.

Helaas. Stiefmoeder Letterenbeleid had een mooie brochure laten maken om Literatuur, Theater en Poëzie aan te prijzen. Over het weesmeisje geen woord. Voor haar ook geen dure kleren of een uitnodiging voor het galafeest. Terwijl haar stiefzussen kirrend het huis verlieten, trok weesmeisje Thriller zich terug op haar kamer. Tijdens het lezen van het essay ‘Literatuur is geen entertainment!’ viel ze in slaap.

Plots werd ze gewekt door een intens licht. In haar kamer stond een goede fee. ‘Wees niet bang, meid’, zei de fee. ‘Mijn naam is Boekhandel. Ik vind jou de moeite waard. En ik denk dat je de Prins ook zal bevallen.’ Ze haalde haar toverstaf boven en hups, weg waren de keukenmeidkleren en de klompen. Een mooie jurk en bevallige muiltjes in de plaats. ‘Vlug’, zei de goede fee, ‘ga naar het kasteel voor het te laat is!’

Op het kasteel was het feest in volle gang. Vanuit een hoekje zag Thriller haar stiefzussen rond Prins Publiek draaien. Hij maakte zich van hen los en vroeg haar ten dans. Terwijl ze de hele nacht danste, voelde ze de jaloerse blikken van haar stiefzussen in haar rug branden.

Op het einde van het feest zei de Prins: ‘Weesmeisje Thriller, wat ben jij anders dan je stiefzussen. Zij praten zo gewichtig, zij zijn zo opgetut!’ Hij fluisterde. ‘Het lijkt me dat ze op me neerkijken en vooral houden van zichzelf.’ Hij zweeg even, en zei toen, dicht bij haar oor. ‘Ik wil je beter leren kennen. Je bent pretentieloos en leuk. En je ziet er zo aantrekkelijk  uit in je spannende jurkje.’ Hij knipoogde. ‘Morgen kom ik naar je huis.’

Met haar hoofd in de wolken ging weesmeisje Thriller naar huis. Toen ze de sleutel in het slot wilde steken, dacht ze eerst dat het de verwarring van haar ontmoeting met de Prins was waardoor ze de deur niet open kreeg. Maar dan ging een raam open.
‘Jij slet!’, schreeuwde Stiefmoeder Letterenbeleid. ‘Met je hoerenkleren en je lieve glimlachje heb je de Prins verleid. Maar dat zal niet blijven duren!’ Op de achtergrond hoorde het weesmeisje haar stiefzussen huilen. Theater kwam ook even aan het raam staan, met een flinke snottebel onder haar neus. ‘Hier kom je niet meer binnen’, tierde de Stiefmoeder en woedend gooide ze het raam dicht.

Weesmeisje Thriller vluchtte in de nacht. In het bos vond ze een hutje, waar ze in slaap viel. Ze bleef in het bos wonen, dromend van haar Prins, van wie ze niets meer hoorde. Tot op een dag, terwijl ze vruchten raapte voor het middagmaal, ze hoefgetrappel hoorde. Een wit paard. Met daarop: Prins Publiek.
‘Lief weesmeisje’, zei Prins Publiek. ‘Toen ik aan je voordeur stond, vertelden je stiefzussen me dat je verdwenen was, en dat je mijn aandacht niet waard bent. Maar ik kon je niet vergeten. Ik heb het hele land naar je afgezocht.’ Hij steeg af van zijn paard, knielde neer en kuste haar hand.
‘Wil je mijn vrouw worden?’, vroeg de Prins.
Het weesmeisje knikte, haar keel verstopt door tranen van geluk.
Prins Publiek nam het weesmeisje mee naar het kasteel en organiseerde een groot feest.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Feiten, fouten en fictie

Honderd jaar geleden botste de Titanic op een ijsberg. Het drama dat daarop volgde, boeit ons tot vandaag. Voor mijn twaalfde verjaardag kreeg ik het boek Titanic van Edward P. de Groot, en nog altijd ontlokken de foto’s van uitgelaten eerste klassepassagiers, kuierend op het dek, me een koude rilling. Het zinken van het schip op het einde van de film Titanic van James Cameron blijft voor mij een van de meest beklijvende filmfragmenten ooit.

Vandaag start een vierdelige minireeks op Eén. Al meteen krijgt die serie kritiek. Er zouden nogal wat fouten in te zien zijn. Zoals: op de dansvloer van de eerste klasse wordt een wals ingezet. Onmogelijk, klinkt de kritiek, in die tijd walste men niet op een schip. Of: een hoge officier vraagt een vrouwelijke passagier ten dans. Er helemaal naast, zeggen de kenners, daarmee zou de man de etiquette en het protocol zwaar geschonden hebben. (Bron: De Standaard)

Nu, de ene fout is de andere niet. Kort na de publicatie van De minzame moordenaar werd ik door alerte lezers op enkele pertinente fouten gewezen: het bevolkingsaantal van Ieper was minstens 10.000 inwoners te laag geschat, de naam van de school in de Rijselsestraat was verkeerd, en in een Toyota Avensis zit geen driecilindermotor. Bij elke melding sloeg ik me tegen het voorhoofd: deze fouten had ik gemakkelijk kunnen vermijden met een beetje research. Ze wezen op mijn slordigheid en verstoorden het leesplezier van de lezers. In een nieuwe, herwerkte versie van De minzame moordenaar, die binnenkort verschijnt, heb ik al deze fouten eruit gehaald. Hoop ik.

Een paar andere fouten heb ik echter bewust laten staan. Want research is ook niet alles. Zo vertelde de gerechtelijke politie me dat speurders nooit ter plaatse naar een lijk gaan kijken. Een commissaris die zich over het lijk buigt en eens zuchtend in zijn baard wrijft, terwijl zijn hulpje bijna moet overgeven bij het zien van zoveel bloed? Dat gebeurt niet in real life. Om de sporen op de plaats van de misdaad te vrijwaren komt alleen het labo ter plaatse en wordt alles gefilmd voor de speurders. Na dat gesprek mocht ik het eerste hoofdstuk van De minzame moordenaar in de vuilnisbak gooien. Daarin staat de politieman-moordenaar met zijn teamchef naast het lijk van zijn laatste slachtoffer. Ik besliste echter om de research terzijde te schuiven en mijn dichterlijke vrijheid te benutten. De scène was te mooi om op te geven. Het hoofdstuk zou alle kracht verliezen als ik het omgevormd had tot een feitelijk juiste videoconferentie. Dus bleef het erin.

Het zou mij niet verbazen als de scenarist van de Titanic-serie op dezelfde manier redeneerde. Oké, er werd niet gewalst op de Titanic, maar hoe komt een belangrijke officier dan in contact met een passagiere uit eerste klasse? Door de research overboord te gooien. Soms mag je de realiteit al eens geweld aandoen.

Zolang die boot maar vier schouwen heeft. En de kapitein een witte baard.

Black Swan

Het was ongeveer een jaar geleden dat ik nog naar de cinema was geweest, maar gisteren zonk ik weer met een halve liter cola in een bioscoopstoel. Die halve liter cola moest ik tijdens de aftiteling uitdrinken, want ik vergat hem compleet tijdens de beste psychologische thriller van het jaar: Black Swan van Darren Aronofsky.

Het verhaal gaat uit van een übercliché: een ambitieuze balletdanseres, onder de knoet gehouden door een dominante moeder, ziet haar leidende rol in het Zwanenmeer bedreigd door een rivale binnen het balletgezelschap. Zo’n uitgangspunt zagen we al duizend keer, maar nog nooit op deze manier.

Darren Aronofsky weet op een handige manier de clichés te omzeilen of zelfs uit te buiten. De clichémoeder, de clichérivale en de clichéprotagoniste verdwijnen in een meerlagig welles-nietesspel waarbij de kijker op den duur niet meer weet wat hij mag geloven. De suggestieve stijl van Aronofsky versterkt dat gevoel. Hij vertelt veel via suggesties, zo heeft hij amper twee minuten en enkele geluiden nodig om de spartaanse hardheid van het ballet te illustreren.

Black Swan is een voorbeeld van hoe een thriller de clichés kan overstijgen door verfijning en suggestie, door op details te letten en waarheid en fictie te laten versmelten, door losse draden achter te laten en vooral door de kijker achter te laten met het gevoel dat hij nog altijd niet weet wat er precies gebeurd is.

The Pacific: een bloedbad van dt-fouten

Enkele weken geleden zat bij het weekblad Knack een bon voor een grote korting op de dvd-reeks The Pacific. Voor een luttele dertig euro werd de tiendelige serie de mijne. Even twijfelde ik, tot ik me herinnerde dat ik nog een waardebon voor de sponsorende winkelketen had liggen.

Ik repte me naar de winkel. De voorganger van The Pacific, de legendarische serie Band of Brothers, beschouw ik namelijk als het beste Wereldoorlog II-epos dat er ooit gemaakt is. In die serie overtreffen Tom Hanks en Steven Spielberg  hun Oscarwinnende film Saving Private Ryan. Zij maakten ook The Pacific, dat kon dus niet fout gaan.

Vol grote verwachtingen stak ik de eerste dvd van The Pacific in de speler. 

De eerste aflevering was nog maar 4:51 minuten ver toen deze ondertitel verscheen:
– Kom op, heb ik dit verknalt?

Ik gromde, maar goed, een dt-fout kon altijd wel eens gebeuren.

Minuut 5:15:
– (…) en het globe-en-anker embleem dat je verdient hebt…
Minuut 7:15:
Houdt je geliefden vast en bidt met ze
Minuut 16:08:
– Zorg dat je er een voor me bewaard.
Minuut 18:04:
– Als je Jappen ziet, doodt ze.
Minuut 21:17:
– Korporaal Dobson zegt dat de Jappen de kokosnoten misschien vergiftigt hebben.
Minuut 40:33:
– Je bent bevordert tot korporaal.
Minuut 42: 03:
– Deze grote onderneming voor God en land heeft ons in een tropisch paradijs doen belandden.

En dat is nog maar aflevering 1. Het wordt er niet beter op, want elke aflevering zit boordevol dt-fouten, met als topper van de serie:
-We zullen allemaal gedoodt worden!

Hoe het mogelijk is dat zo’n goede serie op zo’n knullige manier verknoeid wordt, wilde ik wel eens weten van Warner Bros Nederland. Het duurde een tijdje tot ik een e-mailadres te pakken had, maar uiteindelijk lukte het. Warner Bros belooft binnenkort een antwoord. Wordt vervolgd…