Het Monster van Calais

September is geen leuke maand voor mensen die bang zijn voor spinnen. Een donkere plek op een muur, in een bad of op de vloer doet je hart stilstaan. Zeker als die vlek begint te bewegen. Je kan alleen nog maar rillen bij de gedachte aan  dat harige lijf, die acht lange poten en dat vreemde, buitenaardse kopje vol groene, fonkelende oogjes.

Het wordt er niet beter op als nieuwssites een horrorbericht de wereld insturen onder de titel ‘Gigantische spin zorgt voor paniek in Wallonië’. In het Noord-Franse Calais vond een winkelier onlangs een gi-gan-ti-sche spin in zijn magazijn, vertelt het artikel. Uit angst belde de winkelier de brandweer, die het dier kwam verwijderen en voor onderzoek overbracht naar een specialist. Op de bijgaande foto zie je het monster: het lijkt alsof het op een muur zit, net boven de vloer en naast een raam, zodat je het minstens 50 cm groot schat. Voor zó’n spin zou je inderdaad de brandweer bellen. Het leger zelfs.

Maar de spinnenspecialist verklaarde dat de griezel – die eruitziet alsof hij elke dag een poedel oppeuzelt – geen mensen aanvalt. Het is een soort huisspin. Die vaak bij ons voorkomt. Live with it. 

Meteen brak paniek uit in Wallonië, zo meldt Het Nieuwsblad, want de gi-gan-ti-sche spin stond al klaar om de grens over te steken. De redactie van Sudpresse werd overspoeld met foto’s van lezers die dachten een gelijkaardig beest gezien te hebben. De nieuwssite schakelde een Zwitserse expert in om de foto’s te bestuderen. In Noord-Frankrijk werd de originele foto duizenden keren gedeeld op sociale media.

Maar dan blijkt het Monster van Calais helemaal geen monster te zijn. In een filmpje  is de spin nog altijd een fors exemplaar, maar een dagelijkse portie poedel? Nee, dat zie ik niet meer gebeuren. De originele foto is gezichtsbedrog. Het juiste perspectief, met een raamkozijn en een vensterbank in plaats van een muur en een vloer, brengt het diertje terug tot zijn juiste proporties. Het horrorverhaal is niets anders dan opgeklopt non-nieuws.

Het bericht deed me denken aan Orson Welles, die met zijn geloofwaardige hoorspel The War of the Worlds, over een aanval van Marsmannetjes, een grote paniek had doen ontstaan onder een deel van de Amerikaanse bevolking. Dat was in de jaren dertig, maar het kan dus nog altijd: een misleidende foto, een opgeklopt verhaal, een veel voorkomende fobie en de kracht van de sociale media, en daar heb je het. Volgens de media was het een algemene paniekgolf. Laten we het houden op een collectief griezelmoment.

Het graf

Het Graf

Ik vroeg me net af of we ooit nog de bewoonde wereld zouden bereiken, toen we het graf ontdekten.

Een eeuwigheid eerder waren we vertrokken voor een wandeling. Onze bergschoenen hadden we thuis gelaten, want bergschoenen gebruik je in de Pyreneeën, de Vogezen of de Alpen. Niet in de Ardennen.

Dus klauterden we langs riviertjes de hellingen op en langs boomwortels weer af, ik op mijn stadsschoenen en zij op haar ballerina’s.

Slechts één vraag hield me bezig.
Wie zou er het eerst bij ons zijn als we onze enkels verstuikten, de traumahelikopter of de wolven?

‘Zijn hier wolven?’ vroeg ik.
‘Geen idee’, zei zij, ‘maar er zijn wel vossen.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik zag er gisteren drie op de weg liggen, doodgereden.’
Dat zijn er drie minder die ons kunnen opvreten, dacht ik.

Er rommelde iets in het struikgewas – geen vos of wolf, zelfs geen knaagdier. Dikke, ronde vogels trippelden over de grond in plaats van te vliegen. Er rommelde ook iets in de lucht – nog ver weg, iets dat we nog konden negeren.

‘We zijn verdwaald’, zei ik, ‘we volgen het verkeerde pad.’
En toen zei zij niets. Ze stond daar maar. En keek.

Het kruis was begroeid met mos. Scheefgezakt.
‘Er staat iets op’, zei ze.
‘Ici a été noié Jean François Colar, Guilleaume Lefevre ,tous deux de Falmignoul, le 3 mars 1778, requiscant in pace.’

‘Twee mensen zijn hier verdronken’, zei ze.
Ze wachtte op mijn reactie.

Dichtbij lachten kinderstemmen. De bewoonde wereld.

De wet van Wolters

Aardappelen, drank en boter had ik al, maar nu werd het moeilijk. Zo simpel stond het op het boodschappenlijstje: waspoeder. Zo ingewikkeld was het in het rek: wel tien merken. Ik besliste om een doos Dash in mijn karretje te tillen.
Net op dat moment sprak de man me aan.

‘Meneer’, zei hij. Hij wachtte tot ik hem aankeek. Hij was een klein mannetje, met kort geschoren haar en een ringbaard. Zijn hemd tot de bovenste knoop dicht. Daarboven een jasje uit ribfluweel.

‘Goeiendag’, zei ik, klaar om mijn karretje te verplaatsen, mocht het hem de weg versperren. Maar dat deed het niet. Integendeel, de man had zijn kar zelf zo gemanoeuvreerd dat ik niet meer vooruit kon.

‘U gaat in de verkeerde richting, meneer’, zei de man. Hij klemde zijn handen strakker rond de handgreep. Nadat ik hem even aankeek, wees hij naar de vloer.
‘U gaat tegen de richting in.’

Ik volgde zijn vinger. Op de vloer stond een grote, witte pijl, afgesleten door duizenden voeten en wieltjes. De pijl wees de andere kant op, dat was waar. Ik keek weer naar de man en kon een glimlach niet onderdrukken. Een spier trilde in zijn rechterwang.

‘U moet de pijlen volgen’, zei de man.
‘Je kàn de pijlen volgen’, antwoordde ik, ‘maar nergens staat dat je verplicht bent ze te volgen’. Ik duwde mijn karretje zachtjes tegen het zijne, als teken dat de discussie wat mij betrof voorbij was.

De man sloot even zijn ogen, alsof hij een plotse hoofdpijn voelde opkomen. Hij ademde in via zijn mond, waarbij hij een sissend geluid maakte.
‘Die pijlen staan er voor een vlotte circulatie door de winkel’, beet hij. ‘U verstoort de circulatie!’
Een ader zwol op zijn voorhoofd.

‘Kijk , meneer,’ zei ik op een fluistertoon alsof ik een geheim verklapte, ‘ik winkel volgens de wet van Wolters.’
Zijn gezicht veranderde. Doorheen de woede schemerde twijfel.
‘Kent u de wet van Wolters?’, vroeg ik. De man schudde het hoofd.
‘Wolters, de consumentengoeroe, zegt u niets?’
Neen. Hij zocht steun bij zijn karretje, dat hij dichter naar zich toe trok.

‘Volgens de wet van Wolters moet je je boodschappen alfabetisch doen’, zei ik. ‘Zo word je niet afgeleid door de marketingtrucs van het warenhuis. Want wie heeft die pijlen geschilderd, meneer? Het warenhuis zelf! En waarvoor? Voor de circulatie? Voor een vlotte voortgang? Laat me niet lachen! Die pijlen staan er om u langs alle rekken te leiden waarvan u niets nodig hebt. Langs snoep en chips en speelgoed en wat nog allemaal? Nee, als je alfabetisch je inkopen doet, zegt Wolters, koop je niets te veel. Je bespaart tijd en geld!’
De man werd rood. ‘Alfabetisch?’, slikte hij.

Ik knikte en wees in mijn karretje.
‘Aardappelen. Bier. Boter. Ziet u?’
‘Maar u hebt ook water mee’, riep hij, terwijl zijn gezicht weer overheerst werd door woede.
‘Chaudfontaine, ja! Met de C van Chaudfontaine. En nu sta ik bij de D van Dash.’
Ik duwde mijn karretje weer wat meer naar voor, hij trok het zijne terug.
‘Als u me nu verder laat winkelen? Alstublieft? En ik raad u aan die pijlen te negeren, en de wet van Wolters te volgen.’

‘De wet van Wolters’, fluisterde de man. Hij keek naar zijn boodschappenlijstje. Ik zag het hem in gedachten herschikken.

(Dit verhaal is gebaseerd op waargebeurde feiten.)

Assepoester en de thriller

In zijn laatste boek Restletsels schrijft Jeroen Brouwers over het etiket ‘literaire thriller’: “Zoals men een pannekoek zou aanprijzen als een creatie van banketbakkerskunst.” Het is de laatste – en met voorsprong de mooiste –  belediging in de ondertussen eindeloze rij aan het adres van de (literaire) thriller. Gelukkig besteden lezers geen aandacht aan zulke praat.

Wat zit er achter dit soort gefrustreerde opmerkingen? Om in de culinaire sfeer te blijven: Brouwers  beschouwt zichzelf als een sterrenchef en thrillerauteurs als frituristen. Goed hoor, maar van échte sterrenchefs lees ik nooit neerbuigende opmerkingen over brasserieën of frituren. Waarom zouden ze ook? Alleen de zelfverklaarde elite van de literatuur kan het blijkbaar niet laten. Zou de reden daarvoor kunnen liggen in… het sprookje van Assepoester?

Heel lang geleden, in een land hier ver vandaan, leefde het weesmeisje Thriller. Ze woonde bij haar stiefmoeder Letterenbeleid, die zelf drie dochters had: Literatuur, Theater en Poëzie. De dochters waren beeldschoon en zeer getalenteerd, maar ze hadden een moeilijk karakter en waren erg verwend. Hun moeder gaf hun jaarlijks een flinke smak geld, zo konden ze in alle rust aan hun persoonlijke ontwikkeling werken. Maar snel tevreden waren ze niet. Voor kleine bedragjes haalden zij hun neus op.

Op een dag vroeg het weesmeisje Thriller: ‘Allerliefste stiefmoeder, ik doe hard mijn best, kunt u mij ook een beetje steunen?’
Stiefmoeder Letterenbeleid lachte schamper.
‘Kijk eens naar jezelf, kind. Met je keukenmeidkleren aan! Met je haar in de war! Met je simpele woordenschat! Waarom zou ik jou iets geven? Hoe zou jij ooit zo hoogstaand kunnen worden als mijn dochters?’
De zusjes Literatuur, Theater en Poëzie giechelden; ondertussen vulden ze hun reiskoffers – o, wat hadden ze lang moeten zeuren om die Vuitton-tassen – voor een bezoek aan een wereldstad die hun oeuvre zou verrijken.
Stiefmoeder Letterenbeleid gooide het weesmeisje Thriller enkele stuivers toe. ‘Als je ooit zo verfijnd en hoogstaand wordt als je stiefzussen, kom dan maar eens terug.’

Het weesmeisje Thriller deed meer haar best. Ze studeerde op de dt-regel. Ze probeerde zinnen te schrijven met meer dan vijf woorden. Ze lette erop woorden te kiezen met meer dan drie lettergrepen. Met haar eigen zakcenten kocht ze nieuwe kleren. Toen Koning Markt in het hele land liet omroepen dat zijn zoon, Prins Publiek, een bevallige bruid zocht en daarom alle jongedames op het paleis uitnodigde, dacht ze dat haar tijd gekomen was.

Helaas. Stiefmoeder Letterenbeleid had een mooie brochure laten maken om Literatuur, Theater en Poëzie aan te prijzen. Over het weesmeisje geen woord. Voor haar ook geen dure kleren of een uitnodiging voor het galafeest. Terwijl haar stiefzussen kirrend het huis verlieten, trok weesmeisje Thriller zich terug op haar kamer. Tijdens het lezen van het essay ‘Literatuur is geen entertainment!’ viel ze in slaap.

Plots werd ze gewekt door een intens licht. In haar kamer stond een goede fee. ‘Wees niet bang, meid’, zei de fee. ‘Mijn naam is Boekhandel. Ik vind jou de moeite waard. En ik denk dat je de Prins ook zal bevallen.’ Ze haalde haar toverstaf boven en hups, weg waren de keukenmeidkleren en de klompen. Een mooie jurk en bevallige muiltjes in de plaats. ‘Vlug’, zei de goede fee, ‘ga naar het kasteel voor het te laat is!’

Op het kasteel was het feest in volle gang. Vanuit een hoekje zag Thriller haar stiefzussen rond Prins Publiek draaien. Hij maakte zich van hen los en vroeg haar ten dans. Terwijl ze de hele nacht danste, voelde ze de jaloerse blikken van haar stiefzussen in haar rug branden.

Op het einde van het feest zei de Prins: ‘Weesmeisje Thriller, wat ben jij anders dan je stiefzussen. Zij praten zo gewichtig, zij zijn zo opgetut!’ Hij fluisterde. ‘Het lijkt me dat ze op me neerkijken en vooral houden van zichzelf.’ Hij zweeg even, en zei toen, dicht bij haar oor. ‘Ik wil je beter leren kennen. Je bent pretentieloos en leuk. En je ziet er zo aantrekkelijk  uit in je spannende jurkje.’ Hij knipoogde. ‘Morgen kom ik naar je huis.’

Met haar hoofd in de wolken ging weesmeisje Thriller naar huis. Toen ze de sleutel in het slot wilde steken, dacht ze eerst dat het de verwarring van haar ontmoeting met de Prins was waardoor ze de deur niet open kreeg. Maar dan ging een raam open.
‘Jij slet!’, schreeuwde Stiefmoeder Letterenbeleid. ‘Met je hoerenkleren en je lieve glimlachje heb je de Prins verleid. Maar dat zal niet blijven duren!’ Op de achtergrond hoorde het weesmeisje haar stiefzussen huilen. Theater kwam ook even aan het raam staan, met een flinke snottebel onder haar neus. ‘Hier kom je niet meer binnen’, tierde de Stiefmoeder en woedend gooide ze het raam dicht.

Weesmeisje Thriller vluchtte in de nacht. In het bos vond ze een hutje, waar ze in slaap viel. Ze bleef in het bos wonen, dromend van haar Prins, van wie ze niets meer hoorde. Tot op een dag, terwijl ze vruchten raapte voor het middagmaal, ze hoefgetrappel hoorde. Een wit paard. Met daarop: Prins Publiek.
‘Lief weesmeisje’, zei Prins Publiek. ‘Toen ik aan je voordeur stond, vertelden je stiefzussen me dat je verdwenen was, en dat je mijn aandacht niet waard bent. Maar ik kon je niet vergeten. Ik heb het hele land naar je afgezocht.’ Hij steeg af van zijn paard, knielde neer en kuste haar hand.
‘Wil je mijn vrouw worden?’, vroeg de Prins.
Het weesmeisje knikte, haar keel verstopt door tranen van geluk.
Prins Publiek nam het weesmeisje mee naar het kasteel en organiseerde een groot feest.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

Hebzucht

Gisteren dook er weer eens zo’n heerlijk ouderwets verhaal op over hebzucht.

Op 9 september 2010 reist de voormalige elektricien Pierre Le Guennec samen met zijn vrouw naar Parijs. Ze hebben een valies mee. Maar het is geen romantische trip die ze maken, en in de valies zitten geen kleren. Eenmaal aangekomen in Parijs gaan ze naar een kantoorgebouw in de Rue Volnay. Ze hebben er een afspraak met Claude.

Als het bejaarde echtpaar de valies openmaakt, valt Claudes mond open van verbazing. De inhoud bestaat uit 175 onbekende werken van zijn vader, Pablo Picasso. Een verzameling die niemand ooit eerder heeft gezien, uit een periode waarin Picasso bittere armoede kende. Ontegensprekelijk authentiek.

Gekregen van de meester als betaling voor het werk als elektricien, beweert Pierre Le Guennec. De zes erfgenamen van Picasso geloven hem niet en dienen een klacht in wegens verduistering. De verzameling Picasso’s van Le Guennec wordt in beslag genomen. De gepensioneerde elektricien moet voor de rechtbank verschijnen.

Als lezer zie je hoe een drama zich ontwikkelt: een elektricien wordt door een arme kunstenaar betaald met kunstwerken (wat wel meer gebeurt bij arme kunstenaars). Hij bewaart ze zorgvuldig, en als hij er eenmaal mee naar buiten komt, wordt hij afgemaakt door de hebzuchtige erfgenamen van de ondertussen wereldberoemde kunstenaar. Waar de arme man dacht te kunnen genieten van zijn appeltje voor de dorst, wordt hij gekraakt voor de rechtbank door nietsontziende wolven.

Zou kunnen.

Of niet?

Want Picasso bleek niet zo heel erg vrijgevig te zijn. Al sinds zijn kindertijd hield Picasso al zijn tekeningen bij. Zijn vrienden en familie getuigden met hoeveel weerzin hij afstand deed van zijn verkochte werken. Sommige werken kocht hij terug. Een verdwenen schets kon hij twintig jaar later terug oppikken. Het is daarom totaal ongeloofwaardig dat hij één iemand zo’n grote hoeveelheid ongesigneerde schetsen zou schenken.

Zijn schetsen bewaarde Picasso in grote kisten, chronologisch geklasseerd, in zijn villa La Californie in Cannes. En in die villa, waar Picasso al sinds de jaren zestig niet meer woonde maar waar de collectie wel bleef staan, heeft Pierre Le Guennec een alarmsysteem geïnstalleerd.

Hoe zou jij zijn, als je een alarmsysteem moet installeren in een leegstaande villa vol kunstschatten van Picasso?
Zou je zo’n kist openmaken?
Zou je zo’n kist meenemen?

Hebzucht is een wrede zonde. Want stel je maar eens voor wat er zou gebeurd zijn als Pierre Le Guennec zo’n kist had geopend en één tekening had meegenomen. Eentje maar.

Eén authentieke tekening van Picasso.  Gekregen van de meester.

Dan had Pierre Le Guennec nu misschien in een tuinstoel gezeten. Niet met een appeltje voor de dorst, maar in een boomgaard voor de dorst.

Hebzucht. Doodzonde.